donderdag 19 oktober 2017

#metoo en de butchbitches

Misschien leef ik onder een steen hoor, wrsl wisten jullie dit allang, maar ik schrik er van. Na gisteren en eergisteren een waterval van aangrijpende   #metoo verhalen te hebben gelezen, er zelf eentje te hebben gedeeld, kom ik vandaag allerlei berichten tegen van vrouwen die zich denigrerend en bitchy uitlaten over dit fenomeen. 
En ik weet niet waar die wijven last van hebben, maar ik moet zeggen, het voelt pretty nasty om in de rug gestoken te worden door je eigen soort. Degenen die nota bene als geen ander weten hoe wáár en oprecht al die #me-fucking-toos zijn, en waar ze voor dienen. De goede zaak. Die net lekker aan de rol was, weet je. Alle neuzen vooruit, zelfs mannen gingen die shit delen en goeie dingen roepen. Vooruitgang! Wie weet, dacht je soms in een onbewaakt hemelsblij ogenblik, kunnen later ooit onze dochters normaal over straat!!!
Maar nee, dat ging allemaal zomaar niet. De butchbitches zouden ons sneue metootjes wel even uit komen leggen dat we eigenlijk zanikerds waren, met onze huiliehuilie berichten. We moesten maar een beetje flink zijn. Er een beetje om lachen. Want wat was dat nou helemaal, een verkrachtingetje, een aanrandingetje, ja, jemig, daar hadden we allemaal wel es mee te maken, hè. Je kon over alles wel gaan lopen zeuren. Get over it!
Of de nuanceringen, ook zo tranentrekkend lelijk. Want eigenlijk moesten we medelijden hebben met de daders, die arme jongens wisten gewoon niet beter, waren zo opgevoed. Echt, je gelooft me misschien niet, maar ik zag het voorbij komen, ik zweer het je. Toen ik dat las heb ik minstens drie kwartier lang met open mond in de tuin naar adem staan happen. (ik weet niet of dit fysiek kan, maar het gaat even om het beeld). Afijn. Wat ik zeggen wil. Fuck de haters, dat wil ik zeggen. En laat je als vrouw niet dubbel naaien. Eerst door de daders en daarna door die zieke figuren op internet die er zonodig hun sneue wufte (dames)meninkjes op los moeten laten. Want jullie zijn allemaal dapper en lief en mooi en knap en flink. En je mag al je metoos delen tot je er bij neervalt. Zonder nuanceringen, zonder politieke correcte shit, gewoon, rauw en kut, zoals het was/is. Omdat dat zin heeft. Daarom.

dinsdag 26 september 2017

Johanna Geels optimist bij EenVandaag

Vandaag was ik de optimist bij het NPO1 radioprogramma EenVandaag, nav een column over pijnpatienten die ik drie jaar geleden voor HPdeTijd schreef. Er is veel veranderd in de tussentijd, zo is het aantal chronische pijnpatienten bijvoorbeeld, door meer en beter onderzoek, verdriedubbeld. 

Ik ben zelf pijnpatient, mijn dochter is pijnpatient en 3 miljoen Nederlanders zijn het met ons. Dat is 18% van de bevolking! Voor al die helden steek ik vandaag nogmaals een kaarsje (lees: etherisch vuurtje) aan. O ja, en ik lees een gedicht voor natuurlijk.



vrijdag 22 september 2017

Mooi werk in museum Belvédère


Gisteren (21-9) brachten Kees (van der Knaap) en ik tekeningen naar museum Belvédère in Friesland, waar een selectie van zijn werk (tekeningen van Radio Kootwijk) binnenkort te zien zal zijn, en vielen middenin een drukbezochte kunstbeurs. Ik kocht een tekening van Henk krist, die mij aan 'De Eenzamen' van Munch deed denken en zag prachtig helduister werk van Alle Jong.

Kees zijn werk is te zien vanaf 27 september. De kunstbeurs duurt tot zondag 24 september. Het museum ligt prachtig midden in de natuur, dus dubbel prijs! 

Museum Belvédère
Oranje Nassaulaan 12
8448 MT, Heerenveen-Oranjewoud

Meer info: https://www.museumbelvedere.nl/
The Moor, Kees van der Knaap







Henk Krist, Back Home

Alle Jong





















woensdag 20 september 2017

Wat een tuin ziet als hij slaapt (deel III)


Ik heb misschien niet veel van de wereld gezien, maar de wereld in mijn achtertuin ken ik als geen ander. Ik ben in boomtoppen geklommen, door bladnerven gekropen, heb door hun sapbanen gesuisd en weet nu dat de wereld vanuit een beukenblad om twee uur ’s nachts zachter en meer gedempt klinkt dan vanuit een eikenblad. 

Ik hou van beuken. Ze zijn de koningen van het bos en zien er zo geil uit als het net geregend heeft. Die natte dikke stammen als glanzende pikken, dat zwoele geritsel van het tere blad als een minnaar die iets fijns in je oor fluistert alvorens hij je ongenadig te grazen gaat nemen.

Ik heb een tuin van niks. Vijf bij tien meter gevuld met wildgroei. Ooit heb ik er, in betere tijden, strakke funderingen aangelegd. Maar door de jaren heen zie ik hoe mijn tuin steeds meer uit zijn voegen kruipt. Het gazon inneemt, het terras, steeds dichterbij komt, en elke keer als hij de muren van mijn huis raakt hoor ik het ritselen in mijn slaap. Alsof iemand aan de binnenkant van mijn hoofd kriebelt. Dan pak ik de snoeischaar en knip de scheuten bij.

Ik heb een periode achter de rug waarin er aardig wat in mij is gehakt en gesneden. Dat moest, wilde ik blijven leven, maar ik haat de achtergebleven littekens, de roodpaarse strepen die als lianen over mijn buik lopen en nog altijd dik en pijnlijk zijn. De huid die na vier operaties nooit meer mooi strak, zacht en onschuldig verend zal worden. Het is de buik van een strijder, zegt mijn geliefde dan.

Mijn geliefde is als een beuk in het bos. Elke keer als ik hem zie trilt het vanbinnen een beetje. Dan wil ik zijn handen voelen, zijn zachte levende buik, zijn hitsige tong. Is ie echt? denk ik dan, echt helemaal voor mij alleen echt? Alsof ik het nooit helemaal durf te geloven. Dat laat ik nooit merken natuurlijk. Soms moeten dingen onbesproken blijven om ze te laten bestaan.

Laatst reden we door een dorpje waar ik vroeger gewoond heb. Ik vertelde mijn geliefde een verhaal dat ik al driehonderdduizend keer heb verteld. Hij zei dat ik het verhaal al driehonderdduizend keer had verteld. Ik zei dat echte liefde inhield dat je elkaar driehonderdduizend keer hetzelfde verhaal kon vertellen. Mijn geliefde keek me geamuseerd aan. ‘Is dat zo?’ vroeg hij. Al was het niet echt een vraag hoor, dat hoorde je duidelijk aan zijn stem. ‘Ja, dat is zo,’antwoordde ik bozig. ‘Wat is echte liefde volgens jou dan,’ vervolgde ik, nog steeds een beetje stuurs. ‘Echte liefde is een harde lul krijgen als je langs loopt,’ antwoordde hij.

Mijn geliefde is heel goed in het mijden van funderingen. Muren, poortjes, hekjes, hij ziet ze niet. Op andere dagen lijkt zijn wereld dan weer juist en alleen uit funderingen te bestaan. Houdt hij van reizen. Of heeft hij genoeg aan mijn achtertuin. Neemt hij alles serieus, of helemaal niks. Ik denk dat ik mede daarom zoveel van hem hou. Ik kan heel slecht tegen zeker weten. Zeker weten is de dood en alle oorlogen en gektes van de wereld tegelijk.

Mijn overgrootopa was dominee en professor hoogleraar in de theologie. Eerst bestudeerde hij jarenlang het geloof en daarna gaf hij er les in. Een paar minuten voor zijn dood echter ging hij ineens twijfelen en stierf vol gewetenswroeging. Ergens tussen het bestuderen, lesgeven en zijn dood in moet het dus mis zijn gegaan. Moet het geloven langzaamaan zijn overgegaan in een soort van zeker weten. En de pest met zeker weten is, het neemt alle ruimte in. Als het wegvalt heb je niets meer. 

Verder wil ik nog even zeggen dat ik slecht tegen ruzie kan. Dan ga ik trillen, zie ik alleen nog maar vlekken, hoor ik de aarde gonzen en moet ik weg. Daar ben ik ooit voor in therapie geweest, maar dat hielp geen zak. Tot ik een therapeut vond die zei dat ik mijn best niet meer hoefde te doen. En dat ik blij moest zijn met elke dag die ik redelijk normaal doorkwam. Vanaf dat moment zijn er al duizenden dagen prettig voorbij gegaan. Miljoenen seconden van turen, lopen, bouwen, slapen, zitten, beuken omarmen, knopen aan jasjes naaien, stukjes schrijven en vaasjes afstoffen.

Ik heb mezelf aangeleerd om tijdens ruzies aan nerven van beukenbladeren te denken. Weet je nog, zeg ik dan tegen mezelf, die middag in april, dat ik het meest zachte, verse en net uitgerolde blad ter wereld vond? Gewoon, achter de sering. En dat ik het streelde. Ineens iets nats voelde, omdat ik het kapot had gewreven, per ongeluk, tussen mijn vingers.



zondag 17 september 2017

De nacht dat Linda de Mol op mijn feestje kwam


Vannacht had ik een feestje. Linda de Mol kwam ook. Ik had een ronde tafel neergezet zodat niemand aan het hoofd zat. Ik zag dat Linda, na een afvalpoging eerder dit jaar, nog steeds slank was en eerlijk gezegd baalde ik daar een beetje van. Ik had stiekem gehoopt dat ze weer was aangekomen. Gewoon, omdat een Linda met een iets te hoge BMI voor mijn gevoel meer ‘van ons’ is.
Ik weet niet waarom maar ik was nogal gefascineerd door Linda’s haar. Waarschijnlijk staarde ik er te lang naar want op een gegeven moment draaide ze zich naar me toe en vroeg of er iets mee was. ‘Nee,’ stotterde ik, ‘nee, niets. Het is, het is, het is gewoon…’

Verder kwam ik niet en voor ik het wist ging mijn hand naar haar hoofd. Linda zette het op een krijsen. ‘Mijn haar!’gilde ze, ‘mijn haar!’ ‘Oh sorry, sorry,’ antwoordde ik, ‘ik wilde alleen maar voelen, ik vind het zo mooi. Mag dat?’ ‘Nee, natuurlijk mag dat niet!’gilde Linda. Haar hoofd was inmiddels blauwpaars aangelopen. ‘Sorry,’herhaalde ik, ‘ik wist het niet, ik leef in een wereld waarin je aan elkaars haar mag zitten.’

Ik legde mijn handen strak naast mijn bord en we deden alsof er niets gebeurd was. Linda kreeg haar normale kleur weer terug en we aten drie soepstengels en een stukje bleekselderij gestoofd in gegrilde Mexicaanse lowfat hamstervoetkussentjes.

Na het eten wilde ze mijn bibliotheek zien. Ik was ook verbaasd hoor, maar die scheen ik dus te hebben. Een prachtige ruimte was het, met hoge kasten en ladders en liften en bouwputten voor nieuwe stellingen en machines op ratelende rails die de boeken aanleverden en nog veel meer moois. Linda vroeg of er een boek van mij tussen zat. Ik knikte trots, jaha, nou en of, wel vijf, en wilde ernaartoe lopen maar op het moment dat ik bij de G van Geels aankwam zag ik dat alle boeken, en we spreken echt van duizenden hè, waren veranderd in de boeken van de Noorse schrijver Per Petterson. Linda slaakte een kreet van geluk. ‘Per! Mijn lievelingsschrijver!’

Verbaasd pakte ik een boek van Per uit de kast. En nog een, en nog een. Ze waren allemaal persoonlijk gesigneerd en voorzien van unieke spitsvondige boodschappen.

Godverdomme, dacht ik, die Per heeft het hem maar mooi geflikt. Ik weet bij die paar dichtbundels en één columnboek van mij al nooit wat ik voorin moet zetten. Nooit. Meestal zet ik er gewoon voor iedereen hetzelfde in. Ik raak helemaal in paniek in zo’n situatie. Dat moment waarop je in een roezemoezerige boekhandel een boek overhandigd krijgt, en dat de mensen je vol verwachting aankijken. ‘Het is dus voor mijn vrouw hè, die is ernstig ziek geweest. Ze zat op het randje. Daarna raakte ze verslaafd en in de Here. In die volgorde. Toen lazerde ze van een keukentrap. Tijdens het dieptebidden. Zo heet dat. Ik weet ook niet waarom. Achtdubbele beenbreuk. Ze kwam in een burnout terecht. Want het hele kampverleden van haar grootvader kwam terug. Ze telde alleen nog maar hamstertenen terwijl ze aan ronde tafel zat, zodat ze nooit aan het hoofd…, u weet wel. Dus, als u iets persoonlijks, een hart onder de riem…’

Ondertussen las Linda gelukzalig de voor haar persoonlijk gesigneerde boodschap. Er scheen licht door haar wangen heen. Of ik wist dat Per, naast geweldig schrijver, ook dichter was? Trots overhandigde ze mij het boek.

‘Voor Linda met de mooie haren,’ stond voorin geschreven. Daaronder een gedicht: ‘Netto gewicht’ heette het. Fel trok Linda het boek uit mijn handen. ‘Ik lees het wel even voor,’zei ze. ‘Dat is beter.’ Ze keek ineens heel serieus, alsof iemand ergens onder haar kin aan een touwtje had getrokken waardoor haar gezicht in de ‘voorleesstand’ was gesprongen. Oh godindehemel, dacht ik paniekerig, als ze maar niet gaat declameren. Ik haat declameren. Nou, misschien gaat het op zich nog wel, bij een gebruiksaanwijzing van een kruimeldief, The Dirt Gator IV bijvoorbeeld, maar niet bij poëzie. Declameren is de dood voor poëzie. Maar dat wist Linda allemaal niet. Die spande haar stembanden eens lekker aan, keek naar een verdwijnpunt in de verte en begon:

‘Het weegt niets meer. Dan dat het weegt.’ Hier stopte ze even, peilde mijn reactie en ging verder terwijl haar ogen ditmaal wild de grond afschuimden. ‘Het gáát waarschijnlijk minder wegen. Of hééft ooit meer gewogen. Maar nu… weegt het niets meer…. dan dat het weegt…..’

Die laatste zin klonk stemtechnisch zo laag dat ik bang was dat hij ter plekke de grond in zou zakken. Ik verwachtte meer, dus hield gehoorzaam mijn mond, maar dat had ik blijkbaar verkeerd ingeschat. Na vijf minuten begon ik me ongemakkelijk te voelen, iets waar Linda, die nog steeds gelukzalig naar de vloer staarde, overduidelijk geen last van had.

‘Mooi hè?’ zuchtte ze. Ik knikte. Ik zei maar niet dat ik twijfelde aan ‘dan dat het weegt’. Zou ‘dan het weegt’ niet mooier zijn geweest? Buiten dat was het natuurlijk een gedicht voor randdebielen.

Nu was het mijn beurt. Ik sloeg een willekeurige Petterson open en las: ‘Voor J’. Meer niet. Boos klapte ik het boek dicht en zei dat Per een oplichter was. Linda antwoordde met een serene glimlach om haar lippen dat Per slechts een spiegel van de ziel was. Ik bromde dat Linda meer hamstervoetkussentjes moest eten omdat er overduidelijk te weinig vet in haar hersencellen zat. Vet is goed voor de geleiding van neurotransmitters, ging ik verder. Dus je kunt wel leuk slank zijn en zo, maar voor je intelligentie doet het weinig goeds. Linda zei dat ik uit mijn nek lulde en dat ze naar huis wilde.


Bij de deur stonden we nog even zwijgend naast elkaar. Ondanks onze verschillen voelden we een band. ‘Een kosmische,’ zei Linda. Ik knikte. Ja, dat zou het zijn. Ze legde een hand op mijn schouder en bijna streelde ik haar blonde pony. Ze merkte mijn aarzeling op. ‘Ik wou dat ik ook in een wereld woonde waarin je aan elkaars haar mocht zitten,’zuchtte ze. ‘Het kan nog,’antwoordde ik, maar Linda en ik wisten allebei dat dit niet waar was.

maandag 28 augustus 2017

Wendy’s Gouden Frietpaleis

Op het moment herlees ik de gedichten van Lorca en vind dat wederom zó mooi dat ik het telkens weg moet leggen. Met proza heb ik dat nooit. Een prachtige roman lees ik het liefst in één keer uit.
Mooie, écht mooie poëzie verdraag ik bijna niet. Alsof ik naakt door een regenbui van scheermesjes moet fietsen. Moet, hè, want liefst leg ik na elke zin mijn boek weg. Gewoon, omdat ik wil dat het stopt. Ik zeg dan tegen mezelf dat ik dapper moet zijn, ik kan het heus wel, een heel gedicht uitlezen, ik ben zelf dichter nota bene. Ja, eentje van niks, moppert een stem in mij, een flutdichter, een rommeldichter, een handelaar in ouwe voddendichter. Zwakke en zinloze pogingen om dingen die van zichzelf al prachtig mooi zijn een nieuwe plaats in ‘het spectrum’ te geven. Flikker op met je spectrum. En waarom dan. Leg dat maar eens uit. Totale waanzin. Spielerei. Ga wat nuttigs doen, idioot. Ga kinderen redden die door moeders op de rug gedragen door oorlogen schuiven. Ga biologische kroketten in hipstervet bakken, koop een keten van frituurhuizen die ‘Wendy’s Gouden Frietpaleis’ heet en een geit die nooit stinkt.

En wat ook gênant is, in de grond is dit allemaal onderdeel van dat verveelde schrijversgeleuter, zo van, ah, boehoe, kijk mij nou eens een getormenteerde dag doormaken in mijn getormenteerde lullige schrijvertjesbestaan. Dat je denkt, ik koppel mezelf daarvan los door het te benoemen, maar dat je het daarmee eigenlijk alleen erger maakt.

Er is dus die hoepel die om je heen draait, met glitters en lichtflitsen erin, tovenarij gewoon, hij lonkt, gonst, zingt, je wil hem vasthebben, maar elke keer als je denkt, ik heb hem, glipt ie weer uit je handen, rolt stratenlang voor je uit, door riolen en konijnenpijpen, tot je hem uiteindelijk vindt, op een vroege zondagochtend, helemaal uitgeglitterd en geflitst, gewoon een versleten hoepel in een uitgestorven park, als een gebruikt condoom achtergelaten in een bosje. Kerkklokken dramdreinzen in de verte, deuren in de stad gaan open, grijs geklede vogels sjokken in stoeten op het gebeier af, als motten naar een lamp.

Je pakt de hoepel op, hij ligt er tenslotte, je wilde hem tenslotte, zet hem thuis neer op een goede plek. Je kijkt ernaar, wijst ernaar als er visite is, vertelt er een mooi verhaal bij, zet hem op Facebook, op Instagram, paar sterretjes erbij, nieuw in de app, jottem, leuk, zonnetje, maantje, oh leuk, nieuw, iemand taggen die ook iets met schrijven doet, iemand taggen die ook wel eens onder het maanlicht in een drol is gaan staan, oh leuk iemand taggen die laatst zijn dode hond in chichoreiwortelaroma heeft gebakken en daarna alleen nog maar het alfabet kan blaffen. Of nee, wacht, iemand die iets met muziek bij gedichten doet, oh, origineel zeg, of met verf en bloedverdunners. Verf en bloedverdunners in prozacolie. Met Japanse liedjes erbij, ijl gezongen door een vrouw die in shibaristijl boven een podium hangt.

Mag ik nu ophouden? Gelukkig, de bel gaat. Er staat een pad voor mijn deur. De bulten op zijn rug glanzen in de zon. De pad is de weg kwijt. Ik zeg, je kunt hier helemaal niet verdwalen, idioot, ons buurtje kent maar drie straten en een zebrapad. De pad lacht charmant, verontschuldigt zich en huppelt weer weg. ‘Effe testen,’roept ie me nog na, ‘effe kijken of jij het nog wist.’ Ik gooi een verdwaalde sterrenappel naar zijn hoofd (mijn tuin ligt daar vol mee), maar die mist.

Meneer K belt, ik vertel hem van mijn paniek bij mooie poëzie. Je hebt het Stendhalsyndroom, zegt hij. Ik heb daar nog nooit van gehoord, maar zo zijn de verhoudingen tussen ons. Ik verzin dingen en meneer K weet daar dan een bestaand verhaal bij te vertellen. Of in dit geval, een syndroom aan te koppelen. In het kort houdt het Stendhalsyndroom in dat je zo overrompeld wordt door de schoonheid van kunst dat je er niet goed van wordt. De Mona Lisa zien en dan flauwvallen bijvoorbeeld.

Waar was ik gebleven. Lorca. Ik neem een gedicht. Stad zonder slaap. Die eerste regels vind ik al zo fijn: Niemand slaapt in de hemel. Niemand, niemand. Niemand slaapt.
Stel dat ik ze geschreven had. Ik kan me zo al 1883 redacteuren voor de geest halen die zouden zeggen, nou Johanna, vier keer ‘niemand’ in twee zinnen, twee keer ‘slaapt’ in diezelfde twee zinnen, nou, ik weet het niet hoor. Sterker nog, ik zou dat waarschijnlijk zelf ook zeggen. En vervolgens een paar niemanden en een slaap schrappen. Stom! Gewoon niks van aantrekken dus. Als iets goed is, is het goed. Alle niemanden en slapen ten spijt. Maar dan. Het gedicht zelve. Zo mooi. Ik buig, ik buig, zo diep als mijn rug, die rottige krakende plank het toelaat. Even een paar witregels inlassen, hoor, want ik heb het nu helemaal verpest voor Lorca met mijn woordengediarree.

Stad zonder slaap

Niemand slaapt in de hemel. Niemand, niemand.
Niemand slaapt.
De maanschepselen snuffelen en sluipen om de hutten.
Straks komen de levende leguanen de slapeloze mensen bijten
en wie vlucht met gebroken hart vindt op de straathoeken
de ongelofelijke krokodil kalm onder het tere protest van de sterren.

Niemand slaapt in de hemel. Niemand, niemand.
Niemand slaapt.
Op het verste kerkhof
klaagt een dode al drie jaar lang
over een dor landschap op zijn knie
en het kindje dat ze deze ochtend begroeven huilde zo hard
dat ze de honden moesten halen om het te bedaren.

Het leven is geen droom. Kijk uit! Kijk uit! Kijk uit!
We vallen van de trap en eten vochtige aarde
of klimmen tot de scherpe sneeuwrand met het koor van dode dahlia’s.


Maar geen vergeten of slaap:
lillend vlees. De kussen strikken de monden
in een warnet van jonge aders
en wie pijn lijdt zal onverpoosd pijn blijven voelen
en wie de dood vreest zal hem op zijn schouders dragen.


woensdag 26 april 2017

Snoekenruil

Soms zou ik mijn kinderen willen bellen om te vragen wat ze er aan overgehouden hebben. Aan al die jaren hier, met mij, katten en cavia’s, de kleuren van het wisselbehang, de periodes zonder vlees, man, suiker of vaste vloerbedekking op de trap.

Wat! zou ik willen roepen. Wat! Ik was misschien te druk, teveel, te ongeduldig ook, maar je belt je kinderen niet midden in een leven om vragen te stellen die niemand ooit beantwoorden kan zonder liegen of wegkijken.

Ik heb wel eens een alarmnummer gebeld om drie uur in de nacht, een dikke man nam op.
Dat ie dik was kon ik horen aan het gewicht van zijn stem die in zijn slokdarm was gezakt, daar dag en nacht verlangend naar eten hengelde met een verlichte snoekhaak die diep in zijn maag hing.

Ik weet nog dat het licht van de straatlantaarn naar binnen scheen, precies op de oude fauteuil die me spottend aankeek. Ik voelde me een indringer, alsof de kamer overdag van mij maar ’s nachts van hem was.

‘Ik versta je niet!’ schreeuwde ik. De man aan de telefoon trok de hengel uit zijn keel en vroeg wat er godverdomme loos was. Ik antwoordde huilend dat ik te ongeduldig was geweest in supermarkten met kinderen, ik misschien wel dood ging en dat er mensen waren die op het moment dat wij praatten als verdroogde vissen in een veld lagen te sterven.

‘Snoek!’riep de man slechts, ‘snoek!’

Ik mopperde dat dit geen serieuze feedback was op mijn gelamenteer, en dat ik het alarmnummer had gebeld, geen sportvisvereniging. De man veranderde van toon en antwoordde zacht dat snoeken prachtige en mysterieuze dieren waren, en dat ik alles in mijn leven wat ademde blind kon inruilen tegen deze wonderen der natuur. Ik hoorde water op de achtergrond stromen en even leek het zelfs of er druppels door de gaatjes van mijn telefoonhoorn opblobden.

Toen ik ophing viel er een snoek door de bus, en later nog een. Elk uur hoorde ik een plof in de gang bij de voordeur. En nu, als ik goed luister, nog steeds.