dinsdag 10 april 2018

De dag dat China mijn lampenverzameling overnam

Er was een tijd dat ik op grote schaal heksenhoeden verzamelde. Niet van stof of antroposofisch vilt met gekrenkte flapranden, nee, lámpen. Zoals ze vroeger in woonkamers met zitkuilen van kurk hingen. Mijn verzameling was tot in alle uithoeken van de wereld bekend en iedereen die droomde van zacht of hard brandende heksenhoeden wist mij te vinden. 

Ik verdiende daar aardig wat geld mee, veel meer dan met schrijven bijvoorbeeld, maar de mensen wilden steeds meer heksenhoeden en na een tijdje raakten ze op. Hoeveel kringlopen en rommelmarkten ik ook afliep, de vraag werd alsmaar groter en het aanbod kleiner. Zodoende werd iedereen boos op mij. Waarom had ik niet genoeg heksenhoeden? Waarom had ik de zaak niet beter gepland? Ik was een heksenhoedenverkoper van niks.

Gelukkig kreeg China lucht van de zaak en belde mij. ‘Ga jij maar lekker achter je raam zitten dromen, Johanna, over kabouter nummer 068 en wildroosters in het Mikadobos,’ zei China vriendelijk. ‘Wij nemen de boel wel over.’ Toen hingen ze op. De volgende dag stopte er een rood busje voor de deur. Een kleine meneer met een lampion op zijn hoofd trok al mijn heksenhoeden uit de schuur, propte ze in het busje en reed weg. Nooit meer iets gehoord. Van niemand niet, dus ik denk dat ik er uiteindelijk goed vanaf gekomen ben.

Soms droom ik dat de heksenhoeden zijn beland bij een god die niet van scherpe randen houdt, en bij het zien van de metalen hoeden boos een spaak in het grote wereldwiel steekt zodat we allemaal 1111 uur stilstaan. Tot aan het uur van de clown, om precies te zijn. Waarna iedereen zijn heksenhoeden vergeet of weggooit in een van onze vele zwarte hoofdgaten, zoals je met biologisch afbreekbare gedachten doet, die kraken tijdens het schedelknarsen. Maar dat is gewoon maar een droom. Dus dat zegt uiteindelijk niets. 

Ik kwam hier allemaal op, omdat ik gisteren bij een kringloopwinkel een heksenhoed vond. Ik vroeg mij af hoe die was ontsnapt aan mij, aan China en aan de grote vraag. Een kringloopmedewerker vertelde mij dat de heksenhoed jarenlang omgekeerd aan zijn plafond had gehangen. ‘En wat de mensen niet zien,’ zei hij, ‘dat zien ze niet.’ Ik denk dat hij bedoelde te zeggen dat de mensen alleen zien wat ze zien. Niet de moeite nemen om ergens doorheen te kijken. ‘Precies, want als ze dat gedaan hadden,’ zei de kringloopmedewerker, ‘hadden ze geweten dat een omgekeerde heksenhoed precies hetzelfde is als een niet omgekeerde heksenhoed.’ Toen liep hij weg. Ik nam de heksenhoed mee en hing hem omgekeerd aan het plafond. Deed er een zachte lamp in. Het leek op een kunstding in de vorm van een bloem. Daar houd ik niet zo van, van kunstdingen die op bloemen lijken, maar in dit geval was het overmacht.

Mijn omgekeerde heksenhoed vangt ook veel stof, maar hem wegdoen lukt me niet. Ik heb daar over nagedacht, maar ben er nog niet over uit. Ik vermoed dat de lamp iets wil bewijzen. Iets dat ik nog niet weet. En dingen die je nog niet weet, of nog moet ontdekken, liggen vaak in de buurt van de irritatiegrens. Bij de lelijk gedeukte randen van de flaphoed, zeg maar. En ergens diep in mijn hart heb ik ook het prettige gevoel dat ik met die hoed nog een beetje in contact met China sta. Misschien bellen ze nog een keer. Nemen ze weer iets van me over, iets waar ik mee worstel. Iets anders dan heksenhoeden. Mijn verstoorde relatie met de voltallige wereldbevolking bijvoorbeeld.

Laatst droomde ik weer over de heksenhoedengod en China. Meneer K sliep naast mij en porde me wakker. Ik bleek heel hard te hebben gesnurkt. Niet dat meneer K hier last van had, sterker, hij vind mij heel lief als ik snurk, maar ditmaal ging het zo ontieglijk hard dat hij bang was dat ik er in zou blijven. Ik vertelde hem van het uur van de clown en de stilstaande wereld. De omgekeerde heksenhoeden waar niemand doorheen kijkt. Sindsdien noemt hij me ‘Knorretje Snuf in Lampenland’, en elke keer als hij dat zegt maakt mijn hart een huppel. Over heksenhoeden heb ik nooit meer gedroomd.



De mosselmannen


Ik zou kunnen vertellen over de nare gevolgen van overmatig gebruik. Of hoe het kon gebeuren dat vijfendertig mensen onlangs tijdens een voetbalwedstrijd in Duitsland tegelijk door de bliksem werden geraakt. En dat ik tijdens het lezen van dat nieuws dacht dat God eigenlijk de grootste terrorist op aarde was. 

Over de mannen in mijn leven, die uiteindelijk bijna allemaal vreemd gingen, en dat ik soms geneigd ben te denken dat dit aan mij ligt. De wereldklok die exact tien centimeter van het midden op mijn schuurdak staat en elke milliseconde opnieuw onvermoeibaar jouw en mijn plaats in het universum berekend. Een zoemend geluid afgeeft die alleen wordt waargenomen door dieren en kinderen. Waarom grote mannen op kleine BMX fietsen in het bos op zondagochtend altijd zo eenzaam lijken. Maar misschien kan ik beter vertellen over de dag dat de moezelmannen kwamen.

Die moezelmannen waren natuurlijk gewoon mosselmannen. Zoals in het liedje. Gele plastic pakken droegen ze, met bruine strepen als hommels. Ze roken naar het strand bij Sassnitz, die grauwe Duitse strook langs de Oostzee waar campers met bejaarden hun laatste dagen tellen op houten telramen die ze voor hun polycarbonaat-plexiglazen ramen zetten. Die bejaarden zie je verder niet, ze zitten binnen en doen bejaardendingen. Rummicubben, patiencen, elkaar kapot irriteren, wachten op wie het eerste doodgaat, weet ik het. Ze ruiken naar gekookte aardappelen, een geur die in een vaste straal van honderd meter om hun camper heenhangt. Neem die geur in gedachten, vermeng hem met de zoutvissige lucht van die smoezelige zandstrook langs de Oostzee en je hebt iets dat in de buurt komt van wat ik bedoel. Van hoe de moezelmannen roken.

Ze belden aan en ik deed open. Stom natuurlijk, maar het is gebeurd. Ze kwamen een voor een binnen, veegden hun voeten in hetzelfde ritme, lieten ongezien DNA achter en deden het zodoende voorkomen alsof het nette moezelmannen waren. Wat achteraf gezien belachelijk was, maar ja. Ze liepen niet eens de kamer binnen of gingen netjes in de gang staan wachten, zoals normale mensen doen als ze ergens voor het eerst op visite komen, maar stampten gelijk de trap op naar boven. Naar de badkamer. Deden daar al hun kleren uit, gooiden ze woest van zich af en riepen dat ik hun van dode mosselenlucht doortrokken boeltje moest wassen. Incluis moezelsokken. En snel een beetje. Tijdens het uittrekken van hun kleren vielen er tientallen mosselen op de grond. Ze leken uit alle zakken, naden en zomen te komen. Het gaf een tikkend geluid. Licht en helder. Ik wist niet wat te doen. Mijn hele badkamer was gevuld met mannen en mosselen. Die laatsten lagen overal, als venijnige visjes. Sommigen nog dicht, maar de meesten wijdopen, schijnbaar naar adem happend. De mosselmannen hadden bleekwitte lijven die er gehavend uitzagen. Alsof ze elke nacht naakt tussen de mossels sliepen. Eentje vroeg of ik zijn vrouw wilde worden, maar de rest lachtte hem uit. Ik was toch onvoldoende toegerust voor zo’n bestaan, dat zag hij toch verdomme zelf ook wel. Keek hij wel goed uit zijn doppen, miljaar! Want als hij dat gedaan had, zou hij gezien hebben dat mijn handen veel te poezelig en broos waren. Een losse zak botjes, riepen ze. Totaal ongeschikt voor het breken van harde scherpe schalen, de wil van de mossel. ‘Kun je noten kraken?’ schreeuwde er een ballorig. Ik schudde mijn hoofd, nee, in noten kraken was ik nooit bijzonder goed. Hazelnoten ging nog wel, maar paranoten bijvoorbeeld gaven veel problemen.

De mosselmannen hadden grote voeten. Waarschijnlijk om stevig mee op de bodem van de zee te staan, of om de branding mee te trotseren, het zuigen der muien, het golfrazen. Ik vroeg of ze ook mossels op de Oostzee vingen maar de mannen lachten me uit. De Oostzee, daar wilden ze nog niet dood gevonden worden. Eentje ging omstandig uitleggen hoe de camperbejaarden daar roken maar ik wimpelde hem af. Oud nieuws. Het zag er ondertussen niet naar uit dat de moezelmannen hun vuile kleren weer gingen aantrekken dus gooide ik ze maar in de was, zette de klok op zestig graden en smeet er een halve fles Ocean Lavendel bij. Lavendel groeit natuurlijk helemaal niet in de ocean, maar in zo’n afgesloten kunststof flessenwereld kan alles.

Ik was eens op een eindexamententoonstelling van de Rietveld academie. Een van de geslaagden had een kleine kamer ingericht met wel twintig koffiezetapparaten erin. De junizon vloog manisch tegen de ramen op en het was er niet te harden, zo heet. Dit kwam ook door de koffiezetapparaten, die continue aanstonden. Daar was op zichzelf natuurlijk niet zoveel kunstigs aan. Daar moest iets bij. Iets vreemds, liefst. Vies. Zodoende had de kustenaar in plaats van water, urine in de koffiezetapparatenreservoirs gedaan. De urine circuleerde daar dag en nacht doorheen. In combinatie met de hitte gaf dat een stank die dodelijk hard in je gezicht klapte wanneer je de ruimte binnenkwam. Van Lavendel Ocean had de kunstenaar overduidelijk nooit gehoord.

Een beetje was duurt minstens anderhalf uur. Wat moest ik met de mannen aanvangen in al die tijd? Ik had ze nog niet geteld, maar het waren er veel, en ik wilde ze niet met hun ongewassen mosselkonten beneden op mijn nieuwe bankstel hebben. De was draaide en zoemde gezellig. Het viel me op hoe snel je went aan stinkende naakte mosselmannen in je badkamer. Ik was ook helemaal niet bang dat ze ongepaste dingen met me wilden doen. Zo keken ze niet uit hun ogen. Daarbij bungelden hun mosselgeslachten vrij slap onder hun buik, daar stak weinig gevaar in. Ik ben ook zelden bang voor mannen, dat scheelt misschien. Ik kan behoorlijk stoere verhalen vertellen over mannen en heikele situaties, met mijzelf in een glansrol. Over die keer dat ik beschoten werd in een kraakpand, bijvoorbeeld, de kogel vlak langs mijn oor fluitte en ik doodkalm bleef zitten. Of dat ik in een trein vol dolgedraaide voetbalsupporters belandde die zwaaiend met losgetrokken treinmeubilair boven hun hoofden op me afstormden, en dat ik rustig bleef zitten, een jointje draaide, vroeg of ze een hijsje wilden. Waarna ze lamgeslagen van verbazing om me heen gingen zitten, zoet luisterend naar verhalen die ik ter plekke verzon. Mannen zijn over het algemeen sukkels. Goedaardige sukkels, maar sukkels. Makkelijk om de tuin te leiden ook. Misschien gaan ze daarom altijd vreemd bij mij. Omdat ik mijzelf uiteindelijk toch net even iets slimmer, leuker en stoerder vind. Waarschijnlijk straal ik dat uit. En dat is voor mannen ook niet leuk natuurlijk. Met meneer K heb ik dat overigens allemaal niet. Dat vind ik zelf ook raar. Misschien komt het omdat ik, elke keer als ik denk te weten hoe hij in elkaar zit, ik mezelf weer terug bij Start vind.

Meneer K zegt altijd tegen mij, dat als ik ooit alleen kom te staan, en een man wil, ik er eentje moet zoeken met een akker. In zijn optiek is een man met een akker een goede man. Voor mij althans. Een man die iets maakt met zijn handen. Dus geen muzikant of schrijver. Dat zijn over het algemeen labiele aanstellers die immer op zoek zijn naar publiek en groupies. Bevestiging. Zoals ikzelf. Nee, een meubelmaker of zoiets. Zo eentje die met zijn voeten stevig op zijn zandgrond staat. De eenzaamheid ervan kent en daar niet bang voor is. Zodat ik ondertussen lekker op mijn eigen akker kan rondknooien, zonder angst te hoeven hebben dat, als ik even niet oplet, hij er gelijk met een ander vandoor gaat. Akkermannen zijn de meest betrouwbare mannen. En niet al te gecompliceerd. Zo zetten ze rustig een strooien  vogelverschrikker in hun veld om de vogels af te schrikken. Hangen er zilverpapiertjes in. Terwijl dat dus nooit helpt. Nooit.

De mosselmannen wachtten netjes in de badkamer tot de was klaar en droog was. Legden ondertussen een kaartje, repareerden mijn lekkende kraan en trokken een pruik uit een zwanenhals. Hun natte mossellijven droogden op en daardoor veranderde ook hun geur. Of ik begon eraan te wennen, dat kan ook. Het rook in ieder geval best plezierig. Daarna kleedden ze zich weer aan en vertrokken. Een minuut later hoorde ik nog flarden van mosselliederen boven de straten zwemen. De lege mosselen hadden ze achtergelaten. Her en der lagen ze verspreid. Op de trap, de overloop, in de douchecel. Soms vind ik er nog wel eens eentje als ik gehaast de trap op ren. Ze steken gemeen in mijn voeten.




vrijdag 6 april 2018

Jumbopoëzie in een dwaalstaat

Tien jaar geleden kwam mijn eerste dichtbundel uit. Hoe noem je zoiets, een dubbellustrum, een jubileum? Veel mensen krijgen bij een jubileum een mok met hun naam erop. Ik dacht dit te vieren met mijn zojuist voltooide (vijfde) bundel: Planeetversterkers. Dácht, want het liep een beetje anders.

Toegegeven, ik weet stiekem best dat er geen hond geïnteresseerd is in poëzie. Cryptisch gedoe, gekkigheid. Voer voor de geest, niet voor de portemonnee. Dit werd bevestigd door mijn uitgever die de poëzie onlangs commercieel liet doorlichten en sindsdien nog maar twee titels per jaar wil uitgeven. Van prijwinnende dichters, want die brengen meer op. Ik won nooit een prijs, dus gaat mijn ‘Planeetversterkers’ terug de la in.

Dit vertel ik nu heel cool, maar toen ik het kille nieuws een tijd geleden in mijn mailbox vond donderde mijn hart op de grond. Ik had het niet zien aankomen, en eerlijk gezegd zag (en zie) ik er tegenop. Het geluid van stuiterletters die ’s nachts tegen het hout opbonken, op zoek naar een kier in de la, krabbend aan de verf, roepend dat ze naar buiten willen, gekkenhuis.

Aan de andere kant; ik word over een week 50. Misschien moet ik mijn leven gaan herindelen. Ophouden met die gekkigheid en iets normaals gaan doen. Een mosselmannenkwekerij beginnen in de binnenlanden van een dwaalstaat.

Je moet borrels afgaan! roepen collega-dichters. Bundelpresentaties! Ik weet, het is DE manier om een (andere) uitgever te vinden. Maar wat als dat haperende lijf niet wil? Ik ben al minstens 100 jaar arbeidsongeschikt en mijn eennalaatste voordracht was in 2015, tijdens de Nacht van de Poëzie. Daarna werd ik nog zieker dan normaal en was ik twee jaar uit de running. Mijn allerallerlaatste optreden was eind vorig jaar bij Radio1 waar ik minstens drie dagen van moest bijkomen. Dat is helemaal niet erg natuurlijk, en als ik ergens word uitgenodigd rij ik er graag naartoe, maar borrels en presentaties afgaan die steevast 100 km van mijn huis worden gehouden? Dat zit er niet meer in.

Rijst automatisch de vraag: Is schrijven, alleen, genoeg? Heb je als chronisch zieke, 50-plus dichter/schrijver zonder theatershow of column nog bestaansrecht? Of is het net zoals in het bedrijfsleven, wie ziek is en boven de 50 ligt eruit?

Misschien ben ik geen goede dichter. Dat kan ook nog, hè, want al heb ik in de afgelopen tien jaar nooit een slechte recensie ontvangen en werd mijn debuutbundel genomineerd voor de C-Buddingh’-prijs, echt ‘doorbreken’ deed ik niet.

Ik krijg vaak te horen dat ik ‘anders’ schrijf. Buiten de kaders. Misschien is dat het probleem. Moet ik normaler gaan schrijven. (Waar liggen die kaders? Hoe zien ze eruit? Hoe herken ik ze?)

Ik moet nog wel wennen aan het idee, hoor. Het voelt soms alsof mijn huis is dichtgetimmerd terwijl ik druk bezig was met het tellen van vlinders in een hoekje van de tuin. Dan zeg ik tegen mezelf: Ik heb dat huis gebouwd. Het is misschien een mal ding geworden, een folly, maar het blijft mijn huis. Dat kan niemand dichttimmeren.

Tegelijkertijd voelt de wereld ineens heel ruim. Vol mogelijkheden en vrij. Gek hè, dat twee tegenovergestelde –en heftige- emoties in een en dezelfde gemoedstoestand passen.

Er zijn ook valkuilen: soms (vooral ’s nachts in bed) voelt deze toestand als het einde van de wereld. Een wereld die eerst rond was, en waar ik op mijn argeloze gemakje als een kip zonder kop achter vogels aan kon rennen, maar die onverwacht toch plat en begrensd blijkt, zodat ik continue naar de punten van mijn schoenen moet kijken om er niet vanaf te vallen.

Er zijn ook dingen die ik mezelf vanaf nu dagelijks moet inprenten. Bijvoorbeeld dat ik heus niet plotseling een slechte schrijver of dichter ben geworden alleen omdat een uitgever te diep in zijn portemonnee heeft gekeken.

Ik weet feitelijk niet eens wat ik ‘opbracht’. In vijf jaar tijd ontving ik, ondanks herhaaldelijk vragen, slechts eenmaal een royaltieoverzicht, over een periode van twee maanden. (Daar had ik meer achteraan moeten zitten na twee bundels en een verzameld columnboek, I know.)

En nu? Dat weet ik eigenlijk niet. Ik weet wel dat ik de laatste jaren (vooral in de 2,5 jaar dat ik een online column bij HP/DeTijd had) nogal druk over alles en iedereen heb lopen roeptoeteren. Misschien is dat onderdeel van het probleem.

Ik zou rapartiest kunnen worden, dan mag je roepen en maken wat je wil aangezien het de punk van nu blijkt te zijn. Vette epees opnemen in studio’s met leipe producers met onuitspreekbare namen die voornamelijk uit medeklinkers bestaan. Geen labels, compromissen of commerciële poortwachters, gewoon, je hart en ziel in een tekst flikkeren, vette beat erbij en gáán. Mijn dochter beweegt zich in die wereld, vliegt met haar eigen maffe teksten en liedjes studio’s in en uit, maakt geweldige dingen, free as a bird.

Of is underground alleen cool bij jonge mensen.

Misschien moet ik minder over de dingen nadenken. Nee, das ook niet handig als bipolair patient, ik moet altijd nadenken, over elke stap, overal liggen landmijnen, overal. Evenwicht, uppers, downers, rechte lijnen…

Waar je trouwens ook ineens achterkomt; ik dacht dat schrijven an sich mijn identiteit was, maar het blijkt dus breder dan dat, en nu het ‘publiceergedeelte’ wegvalt, wankelt ineens de wereld. Is het de angst voor statusverlies? Bang om in de sneue wereld van ‘uitgeven in eigen beheer’ terecht te komen, datgene waar iedereen altijd zo op neerkijkt? Maar waarom eigenlijk? In de rapwereld is uitgeven in eigen beheer hartstikke cool. Zijn die gasten de pioniers, de trendsetters van nu. Waar zit het verschil? Zijn schrijvers gevoeliger voor statusverlies dan muzikanten? Zijn ze minder avontuurlijk? Of zijn lezers behoudender dan muziekluisteraars en derhalve minder bereid het net af te schuimen op zoek naar het afwijkende, het schurende (wat dat ook moge zijn).

En waarom moet ik eigenlijk zo nodig gelezen worden? Wat is dat voor een ijdel gedoe. Moet ik mezelf wat dat betreft niet eens aan een grondig onderzoek onderwerpen? De boel herijken?

Ik weet het niet, hoor, probeer ook maar wat.

Publiceren kan gelukkig op meerdere manieren. Ik heb een redelijk drukbezocht blog (dank u, lieve lezers), en er zijn literaire tijdschriften. ‘Een gedicht in de Gids is als een schilderij in het Rijks,’ mailde een dichter mij ooit, en daar sta ik dit jaar tweemaal -met proza en gedichten- in. Wat dat betreft is de wereld nog niet van mij af.

Misschien moet ik een poëzievlog beginnen. Gesponserd. Hoe noem je zoiets, een plog? Elke dag met een Jumbomuts op mijn kop een gedicht voordragen. Ik zie dat trouwens steeds vaker op youtube, hè. Vijftigplus vrouwen die zich nergens meer iets van aantrekken, vlogs in powerpointstijl 2000 plaatsen en charmant stuntelerig met een oldschool muis naar de webcam zwaaien. Je ziet, ideeën genoeg.

En als dat allemaal niets wordt kan ik er ook gewoon mee ophouden. Een dwaalstaat oprichten waar niemand de sleutel van heeft. Ook leuk.

Maar voorlopig ga ik nog even door met wat ik al 38 jaar doe, vanuit een hoekje van mijn tuin vlinders determineren terwijl om mij heen gebouwen instorten, er nieuwe voor in de plaats komen, die weer instorten, etcetera.

Luwten zijn zo gek nog niet, hoor. Het licht valt daar vaak mooi. Zacht.

(Dit stukje werd mede mogelijk gemaakt door HP, Samsung, Charlie Temple, Ikea, Jumbo, Autodrop, snackbar Charley, Naproxen 8000 mg, het Kruidvat, Ziggo, Douwe Egberts, de tarotlijn, mosselkwekerij Klapkaak, bakker Toet, De Gids en de nieuwe bundel van Johanna Geels: Planeetversterkers! Onthoud die naam! Of niet, wat kan mij het ook eigenlijk schelen...)


maandag 5 maart 2018

Wat een tuin ziet als hij slaapt (deel V)


Een naamloos plantsoen, een vissenkom of miniatuur wereldbol; soms moet een dag, een week, een leven niet méér willen zijn. Een schoen waar de veter van geknapt is. En dan de juiste veter zoeken. Je beperken tot het vinden van de goede kleur, trekkracht, geur, substantie. Niet de perfecte veter. Perfectie bestaat alleen in grote werelden.

In grote werelden was ik nooit erg op mijn gemak. Soms tilde ik even mijn hoofd op tijdens het lopen en keek voorzichtig om me heen. Naar de planten, de straatverlichting buiten, de bemodderde boodschappenbriefjes in de goot. Goten zijn naast restverzamelaars ook een soort van grenzen. Waarschuwingen. Blijf op het pad! Altijd op het pad.

Vroeger schopte ik graag tegen alles wat bewoog. In een kleine wereld hoeft dat niet. Daar geven goten nooit grenzen aan, zijn paden gewoon paden en niets hoeft verdedigd of een naam.

Een kleine wereld mag de grootte van een postzegel hebben, een tuin. Burgerlijk! roept de haring die in een strak glimmend pak op mijn gazon staat. Ik lach hem uit en vraag wat hij daar doet, ik heb bij mijn weten nooit om een aangeklede haring gevraagd. En floep, weg is ie. In een kleine wereld past maar één baas.

Wat ook fijn is: In een kleine wereld kun je lang in vertes staren zonder bang te hoeven zijn dat alles gaat draaien. Tollen. Er een keiharde slagwind om je kop raast die je de adem beneemt. Je kunt er op je gemak de piepkleine houtnerven van de bramendoorn doorgronden, het blad van de boterbloem bevoelen of samen met de avondmerel genieten van zijn zang.

Er is niemand die zo teer zingt als mijn avondmerel. Elk voorjaar wacht ik hem op, en als hij zich aandient, aarzelend bijna, moet ik alle zeilen bijzetten om te voorkomen dat mijn hart niet als een opvouwbaar bordspel uit elkaar klapt.

Er zijn ook nadelen. Kleine werelden zijn vaak als de helderwitte stippen die je ziet als je je ogen sluit en je ergens op probeert te concentreren. Een keer knipperen en ze zijn weg. Kwetsbaar dus. Eigenlijk weet je niet eens zeker of ze ooit bestaan hebben. Misschien alleen in je herinnering, en tot in hoeverre telt dat? Hebben herinneringen bestaansrecht enkel en alleen omdat ze herbeleefd worden? Is dat genoeg? Zijn hoofdlevens echte levens?

Op een slechte dag is mijn leven een hoofd dat opstaat, zich een paar uren voortbeweegt en weer naar bed gaat. Een leven tussen kleine gebeurtenissen en grote herinneringen door, randen en regels waarvan nooit met zekerheid kan worden vastgesteld of het echt is.

Mijn hoofd een vissenkom met wereldzeeën. Een naamloze tuin in een toeristengids die nog geschreven moet worden. Mijn mond een snavel die boodschappenbriefjes uit de goot pikt, mijn lippen de oevers waar niemand loopt, de merel in mijn mondhoek die met zachte klanken de woorden van het boodschappenpapier zingt: ‘tweeee ons zeekraal-aal, één bekertje slagro-oom, pedaalemmerzákken en zilte griéééét.’


zondag 25 februari 2018

Jimi Hendrix heeft een zoon en zijn naam is Brian Pittar


Sinds vannacht weet ik dat Jimi Hendrix een zoon heeft. Dit kwam zo:

Meneer K en ik lagen een beetje te kletsen in bed en kwamen te spreken over het fenomeen ‘rondneuken’ en hoeveel kinderen er op de wereld zouden rondlopen die daar het gevolg van waren. Zo wist Meneer K bijvoorbeeld met een jaloersmakende stelligheid te beweren dat Jimi Hendrix aardig wat buitenechtelijke kinderen moest hebben.

‘Hoe weet jij dat nou?’ vroeg ik. ‘Want als dat zo vanzelfsprekend was zouden er net zo goed kinderen van jou kunnen rondlopen. Wij hebben allebei periodes in ons leven gehad dat we maar wat hebben rondgeneukt, net zoals zoveel mensen van onze generatie.’

Nou, meneer K wist wel zeker dat dit niet het geval was. Hij had altijd opgelet.

‘Misschien lette Jimi Hendrix ook wel op,’antwoordde ik een beetje geagiteerd, een staat van zijn die voornamelijk werd veroorzaakt door het feit dat het idee van een rondneukende meneer K me nogal jaloers maakte.

‘Waarom zouden door god gezonden gitaarhelden niet opletten, en jij wel,’ging ik verder, ‘dat is toch niet logisch?’ Ondertussen deed ik mijn ogen dicht, trok de dekens over mijn hoofd en hoorde vanuit een mist ergens achterin mijn hoofd een stem aanzwellen die met een ouderwets aardappel-engels accent de volgende zin herhaalde: ‘Who knows Brian Pittar? Who knows Brian Pittar? Who knows Brian Pittar?’

Okay. 1-0. Uitgemaakte zaak. Meneer K had gelijk. Jimi Hendrix heeft een zoon waar niemand van weet en zijn naam is Brian Pittar. Ik kwam overeind en ging hem gelijk googelen.

‘Wat doe je,’vroeg meneer K, ik dacht dat je ging slapen?
‘Eerst de zoon van Jimi googelen,’antwoordde ik.
‘Huh? Net was het allemaal onzin en nu heeft ie ineens een kind. Een zóón nog wel.’
‘Jazeker,’antwoordde ik met een jaloersmakende stelligheid, ‘en zijn naam is Brian Pittar.’
‘Hoe weet jij dat nou?’
‘Dat is me net verteld. Door een Engelsman.’

Afijn, ik vond allerlei Pittars: Eugene, Jack, Molly, een hond, een kinderboekenheld, een Poolse spion, een ‘seks-offender uit Canton die eigenlijk niet telt vanwege een D achter zijn naam, en zo nog wat Pittar(d)’s van over de hele wereld. Welke zou de zoon van Jimi zijn? Ik zocht op afbeeldingen en probeerde gelijkenissen te vinden, zocht in facebookbio’s naar hobbies als ‘gitaarspelen, ‘ukelele’ desnoods, maar vond niets.

Ik besloot dat ik twee dingen kon doen. Hier werk van maken, Brian opsporen, hem het nieuws vertellen, of alles laten voor wat het was.

‘Wat zou Jimi doen?’ vroeg ik aan meneer K, maar die sliep al. Ik besloot hetzelfde te doen. Misschien zou de Engelse stem terugkomen en me in de uitgebouwde wereld van de slaap vertellen waar Brian woonde. Binnen twee minuten sliep ik. Ik droomde dat ik in de Ardennen getuige was van een moord. Twee mannen sleepten een dood lichaam met een houthakkersblouse door een bos, een derde groef een gat. Op datzelfde moment belde de Vlaamse politie. ‘Dat is snel!’riep ik verheugd. ‘Het is net gebeurd. Ik heb alles gezien!’

‘Geweldig!’antwoordde de politieagent. ‘Beethoven en Bach zijn al de hele middag zoek, en iedereen is er ziek van!’

‘Hebben we het wel over dezelfde zaak?’vroeg ik vertwijfeld, ‘Ik zag namelijk maar één dode, en die zag er niet uit als iemand die Beethoven of Bach heette.’

Binnen een minuut stonden tientallen Vlaamse journalisten op de deur van mijn vakantiewoning te bonzen. ‘Waar is Beethoven, waar is Bach?’ riepen ze boos.

Ik antwoordde dat ik dat niet wist. En dat ze beter Brian Pittar konden gaan zoeken. Dat was pas nieuws.

‘Who the hell is Brian Pittar,’ riep iedereen. ‘De zoon van Jimi Hendrix,’schreeuwde ik terug.
‘Wat kan ons Jimi Hendrix schelen’, riep iedereen boos. ‘Wij willen Beethoven en Bach, de lievelingskippen van het dorp, terug!’

Daarna werd ik wakker. Meneer K stond breeduit lachend naast mijn bed.

‘Wat sta jij nou dom te lachen,’vroeg ik chagrijnig.
‘Lullen!’antwoordde meneer K. ‘Dat betekent het volgens google. Pitt is Zweeds voor lul. Pittar is het meervoud. Koffie?’

vrijdag 16 februari 2018

Goed in krullen

Kapster op winkelplein: Je bent hier nieuw hè.
Ik: Ja. 
Kapster: Hoe kwam je zo bij ons?
Ik: Ik las dat jullie goed in krullen waren.
Kapster: Dat klopt. Wij zijn erg goed in krullen. Ik zie dat je uitgroei hebt?
Ik: Eh, ja.
Kapster: Ik ga je een tip geven.
Ik: Okay.
Kapster: Zwart staat je niet. Het maakt je hard. Ik zou, als ik jou was, en dit is geheel vrijblijvend hoor, mijn haar lichtbruin laten verven, zodat je zachter wordt in je gezicht.
Ik: Ik wil niet zacht worden in mijn gezicht.
Kapster: NIET???
Ik: Nee.
Kapster (enigszins verward): Eh, ja, dat is een keuze natuurlijk. Ja, dat kan.
Ik: Inderdaad.
Kapster: Maar dit zul je niet voor het eerst horen. Dat het je zo hard maakt. Ik bedoel, ik ben vast niet de eerste die dit zegt.
Ik: Eh, nou, eigenlijk wel.
Kapster: Oh? Daar kijk ik van op.
Ik: Tja.
Kapster: Ik ga je nog een tip geven.
Ik: Eeeh, nou, okay…
Kapster: Als je je haar net gewassen hebt pak je vijf grote klemmen, en die zet je tussen je haar terwijl je het droogt. Dan krijg je volume.
Ik: Maar ik heb al heel veel volume van mezelf.
Kapster: Dat klopt. Dat kan ik zien. Het is een flinke bos.
Ik: Dus die klemmen heb ik eigenlijk niet nodig.
Kapster: Nee, eigenlijk niet. Maar nogmaals, het is geheel vrijblijvend hè. Je eigen keuze. Waar koop je die verf?
Ik: Bij de toko. Het is natuurlijke verf.
Kapster: Natuurlijke verf bestaat niet.
Ik: Nee, misschien niet.
Kapster: ZEKER niet.
Ik: Okay.
Kapster (terwijl ze een droogkap tevoorschijn trekt, mijn hoofd erin duwt en het kreng op voluit zet): Zo, nu ga je op minivakantie. Wil je een boek?
Ik: WAT?
Kapster: Of je een BOEK wil tijdens je vakantie!
Ik: Wat heeft u?
Kapster: De Story of de Revu.
Ik: Eh, nee, laat maar, ik red me wel.
Kapster: Je gaat je vervelen hoor, het duurt wel even.
Ik: Ik verveel me niet zo snel.
Kapster: Mag ik u een tip geven?
Ik (vanonder mijn droogkap): Ik versta u niet!!!
Kapster (tijdens het uitlaten): Nou, misschien zie ik u nog eens terug.
Ik: Ja, misschien.

vrijdag 2 februari 2018

Dag, lieve aardige dichter


Sinds ik gisteren van Menno Wigman zijn dood hoorde, ben ik een beetje stil. Ik beschouw hem als een van de beste dichters van Nederland, en alles wat ie schreef vreet ik. Het is, voor mij persoonlijk althans, vooral de urgentie die uit zijn werk spreekt. Wat hij schreef moest daar gewoon zo staan, als een onontkomelijkheid. Er zijn er maar een paar die dat kunnen. Dat is een zeldzaamheid.

Daarnaast voel ik me ook een beetje radeloos over zijn dood, al had ik geen echt contact met hem. Ik sprak hem jaren geleden soms na een optreden en we hadden een korte mailwisseling toen ik in 2009 een tijdje in het Literarisches Colloquium Berlin bivakkeerde, een plek waar hij graag naartoe wilde en waar hij mij regelmatig over uithoorde. Hij wilde alles weten over het huis, de staf, de tijdelijke bewoners. Hoe de Wannsee stroomde daar (vlakbij het LCB) waar de schrijver, dichter von Kleist ooit zelfmoord pleegde.

Zijn grootste zorg was echter of je er mocht roken. En zo niet, hoe je er dan stiekem tóch kon roken. Kon ik rookmelders detecteren? Stonden er asbakken? Gisteravond zocht ik me te pletter naar die mailwisseling, maar geen spoor. Verschwunden.

Later, toen ik in een vervelend conflict met een uitgever terechtkwam bood hij mij zijn hulp aan. Niet uit beleefdheid, hij méénde het echt. Ik weet nog hoe fijn ik dat vond. Ik bedoel, hij had zich ook om kunnen draaien en denken, zoek het maar uit met je gedoe. 

Twee jaar geleden kwam ik hem voor het laatst irl tegen op de Nacht van de Poëzie. Ik had er net opgetreden en was bang dat ik het verkloot had. Ik keek hem aan, hij keek mij aan maar we zeiden allebei niks. Was het ongemak, had ie een hekel aan me gekregen, keek ik onbedoeld misschien boos of arrogant? Het heeft me altijd dwars gezeten en ik had het hem graag willen vragen, maar deed het nooit. Daar heb ik spijt van. Ik ga dat dus nooit meer weten.

Wat ik wel weet is dat ik alle gedichten ga missen die hij nog had kunnen schrijven. Ik vind het ook heel, heel erg dat de Nederlandse televisie gisteren over zijn dood zweeg. Wat dat betreft leven we in een cultureel en literair armzalig randdebielenland. Een van onze grootste dichters ging dood en er was niemand in dat schermpje die zich daar druk over maakte. 

Dag, lieve Menno, je was een geweldige dichter. Een aardige dichter ook vooral. Doe von Kleist de groeten. Ik vond het fijn dat je er was.