vrijdag 3 november 2017

Ballentent (met Pauline Broekema in een bijrol)

Vier jaar geleden overleed mijn vader. Op een dag ging de telefoon. ‘Geels!’ schreeuwde hij mijn oor binnen, ‘ik zie allemaal kleuren en strepen, verdomme!’ Hij bleek longkanker te hebben die naar zijn hersens was gekropen en binnen drie maanden was hij weg. Snel, dramatisch en luidruchtig, typisch mijn vader.

Op een van de laatste dagen in zijn leven reed ik met mijn auto over de Loolaan die volstond met Molukkers en leden van motorclub Satudarah. Ik draaide de straat in waar mijn ouders woonden en reed hun oprit op, omzichtig, want er stond een geel busje in de weg. Mijn vader zat in zijn net nieuw gebrachte bed met liftsysteem (goeie timing van de thuiszorg) stralend in de achterkamer uit het raam te kijken, er bleek al de hele dag commotie te zijn omdat (in de nabijgelegen schouwburg) de oprichting van de Republiek der Zuid-Molukken werd herdacht. De straten en stoepen rondom het huis van mijn ouders stonden vol met ronkende motoren, stoere mannen en opgewonden vrouwen. Mijn vader straalde van oor tot oor en vroeg of ik wist wat dat gele busje voor het huis deed. Ik riep dat er vast een bom in lag, waarop hij antwoordde dat wat hem betreft de hele keet in de lucht mocht vliegen.
      ‘Ik ben die ballentent hier toch al jaren zat,’riep hij vol bravour, ‘ze kunnen er beter een Chinees restaurant van maken!’

Inwendig moest ik lachen, mijn vader mocht dan zijn hele leven een onmogelijk figuur zijn geweest, op mijn zestiende vluchtte ik letterlijk het huis uit om aan zijn drift en grilligheid te ontsnappen, toch zou ik de kermis die hij altijd om zich heen creeërde gaan missen. De dag ervoor bijvoorbeeld, trof ik hem bellend met de overbuurman aan, die ook terminaal lag te wezen.
      ‘Hé buurman,’ had hij door de telefoon geschreeuwd, ‘moet jij ook zoveel pillen slikken? Heb jij die bijsluiters wel es gelezen? Moet je voor de grap es doen jongûh, je weet niet wat je meemaakt, het lijkt godverdomme wel een avonturenroman,’en toen hij mij zag binnenkomen, ‘hè, daar is mijn dochter, dat is een roman op zichzelf, hoor. ‘De vijf op reis’, ‘Altijd wat, maar altijd lachen’, ‘Alle dertien goed’, haha.’

Na een tijdje klonk er dof geroffel in de verte. Het oude huis en al zijn ramen trilden. Mijn vader riep vanuit zijn bed, ‘de bom, de bom gaat af!’ Toen de motorenparade voorbij was getrokken hing de Montijn, die mijn moeder recent uit een erfenis had verkregen, scheef. Ik vond het een lelijk ding maar het verhaal erachter dan wel weer leuk. Een tante van mijn moeder had de litho in 1969 in Montijn zijn atelier in Zuid- Frankrijk van hemzelf gekregen. Die tante was een nogal exotisch figuur, alleenstaand en vaak opzichtig versierd reisde ze in haar eentje al vanaf de jaren ’50 de wereld rond. Ooit was ze verloofd geweest maar dat had maar kort geduurd. Ik weet niet wat die man haar had aangedaan maar daarna is het nooit meer wat geworden tussen haar en de liefde. Ze scheen in de oorlog in een knokploeg te hebben gezeten, iets met het verzet, ik weet het niet precies, dat zou ik aan mijn moeder moeten vragen, en na de oorlog werd ze chauffeuse bij de KNIL. Afijn, op de litho stonden een stierenkop en een afgekloven vissengraat afgebeeld en mijn moeder dacht dat Montijn hiermee misschien de stupiditeit en de uitholling van het christendom wilde benadrukken. Ik vond dat best goed gedacht van mijn moeder. 

Terwijl wij binnen gemoedelijk in de weer waren met al die kunstenmakerijen sloeg buiten de sfeer om. Er klonk geschreeuw, een sirene, brullend motorengeluid. Omdat de schuifdeuren van de (aan de achterkamer grenzende) serre openstonden konden wij alles goed horen. Hier en daar zag ik een paar politieagenten. Plotseling kwamen er tientallen Satudarahleden aanrennen en vormden een cordon aan beide kanten van de straat zodat er niemand meer in of uit kon. Mijn vader veerde op in zijn bed, zijn ogen glansden en mijn moeder begon begeesterd te vertellen dat ze vroeger, toen ze nog schooljuf was in het nabijgelegen dorpje Teuge, het nichtje van de toenmalige Molukse president les had gegeven. En of de huidige president in ballingschap ook nog voorbij zou komen? Dat zou wat zijn. Ineens reden drie Molukkers op een motor voorbij die salueerden terwijl ze langs het gele busje voor het huis reden.
      ‘Die president zit vast in dat busje,’ grapte ik.
      ‘Huh, zit de president in die bus?’ riep mijn vader vanuit zijn bed in de achterkamer. 

Tijd om uit te leggen dat dit een grapje was hadden we niet want voor we het wisten stond Pauline Broekema van het NOS journaal hijgend in de serre, of ze even haar camera en mobiel mocht opladen. Ze was zo door de open tuindeuren komen aanvliegen en schrok zich rot toen ze mijn magere vader zag liggen in zijn hoge torenbed in een zee van pillen en uitvallend haar. ‘Mijn man is terminaal!’riep mijn moeder vanuit de voorkamer, alsof dit de schuld van de NOS was. Pauline knikte vriendelijk doch verward en zei dat we bij het raam moesten wegblijven omdat Molukkers niet van blanken hielden. Dat leek mij een nogal boude bewering, maar Pauline hield voet bij stuk en vertelde op samenzweerderige toon dat er buiten ruzie was uitgebroken vanwege ‘blanken’ die zich tussen de Molukkers hadden begeven. Mijn moeder rechtte haar rug en vertelde aan Pauline dat zij het nichtje Soumokil in de klas had gehad. Ik vroeg mij af of die woeste meute buiten hier gevoelig voor zou zijn. 

      ‘Is die president nu al uit die bus inmiddels?’ riep mijn vader vanuit zijn bed.
Paulien keek verstoord op maar negeerde het, je kon goed merken dat ze oorlogssituaties gewend was, ze keek enorm serieus en voerde daar in die serre allemaal interessante handelingen uit met mij schier onbekende communicatieapparaten en shit. Ze was haar cameraman kwijt, hijgde ze, dus moest ze het allemaal zelf doen. Contact leggen met het NOS homefront en zo. Ik keek uit het raam. Buiten, tussen de relschoppers door liepen op hun dooie gemak een aantal Molukse vrouwen met buggy’s en baby’s.
      ‘Ga bij dat raam weg,’ gilde Pauline Broekema vanuit de serre. Ik keek naar de Molukse kinderen, ze aten appeltjes en lachten naar hun moeders. De moeders keken vertederd naar de schreeuwende mannen die door de straat renden, al die stoere bonken, een beetje met elkaar ouwehoerend, wat zouden ze lekker slapen straks. Mijn moeder kwam naast me staan.
      ‘Als ze gaan vechten,’ zei ze, ‘loop ik naar buiten en zeg dat ze op moeten houden.’
Ik keek geamuseerd naar dat kleine vrouwtje naast me van 1.65 meter.
      ‘Denk je nou echt dat ze naar je zullen luisteren mam,’ vroeg ik.
      ‘Natuurlijk,’ antwoordde mijn moeder gedecideerd, ‘ik heb Saartje Soumokil in de klas gehad.’ 

Pauline zei dat ze weer weg moest, en of ze straks terug mocht komen. Dat vonden wij goed. Ze rende de serre uit. Ik zei tegen mijn moeder dat ik al jaren wegzap als Pauline Broekema in beeld komt tijdens het acht uur journaal omdat ik niet tegen haar stem kan. En daar is geen woord van gelogen. Mijn moeder leek een beetje beledigd. Kwam er eens een beroemdheid binnen, ging ik het weer verpesten.

Achter ons klonk een luid gezoem. Mijn vader lag diagonaal, met zijn voeteneind hoog in de lucht en zijn hoofd hing ergens beneden. Hij drukte verwoed op de knopjes van zijn afstandsbediening maar het bed was niet meer in beweging te krijgen.
      ‘Heb je hulp nodig?’ vroegen wij vriendelijk vanuit de voorkamer, maar nee, wat dachten wij wel, hij wist heus wel hoe dat stomme ding werkte, daar hoefden wij ons niet ook nog eens tegenaan te bemoeien. We lieten hem een tijdje schuin hangen, het binnensmonds gevloek en gemopper negerend.  Na een minuut of drie liep ik erlangs en wees terloops naar het correcte knopje om gelijk daarna de tuin in te lopen. Net toen ik langs het raam van de achterkamer liep, waarachter mijn vader -nog steeds met zijn voeteneind omhoog- lag, klonk er naast mij een harde knal, een evenzo harde vloek en doemde het verstoorde hoofd van mijn vader met een rotvaart voor het raam op. Vanuit mijn ooghoeken zag ik Pauline Broekema verwilderd de straat oprennen, ze beukte bijna een Moluks kind omver.

donderdag 19 oktober 2017

#metoo en de butchbitches

Misschien leef ik onder een steen hoor, wrsl wisten jullie dit allang, maar ik schrik er van. Na gisteren en eergisteren een waterval van aangrijpende   #metoo verhalen te hebben gelezen, er zelf eentje te hebben gedeeld, kom ik vandaag allerlei berichten tegen van vrouwen die zich denigrerend en bitchy uitlaten over dit fenomeen. 
En ik weet niet waar die wijven last van hebben, maar ik moet zeggen, het voelt pretty nasty om in de rug gestoken te worden door je eigen soort. Degenen die nota bene als geen ander weten hoe wáár en oprecht al die #me-fucking-toos zijn, en waar ze voor dienen. De goede zaak. Die net lekker aan de rol was, weet je. Alle neuzen vooruit, zelfs mannen gingen die shit delen en goeie dingen roepen. Vooruitgang! Wie weet, dacht je soms in een onbewaakt hemelsblij ogenblik, kunnen later ooit onze dochters normaal over straat!!!
Maar nee, dat ging allemaal zomaar niet. De butchbitches zouden ons sneue metootjes wel even uit komen leggen dat we eigenlijk zanikerds waren, met onze huiliehuilie berichten. We moesten maar een beetje flink zijn. Er een beetje om lachen. Want wat was dat nou helemaal, een verkrachtingetje, een aanrandingetje, ja, jemig, daar hadden we allemaal wel es mee te maken, hè. Je kon over alles wel gaan lopen zeuren. Get over it!
Of de nuanceringen, ook zo tranentrekkend lelijk. Want eigenlijk moesten we medelijden hebben met de daders, die arme jongens wisten gewoon niet beter, waren zo opgevoed. Echt, je gelooft me misschien niet, maar ik zag het voorbij komen, ik zweer het je. Toen ik dat las heb ik minstens drie kwartier lang met open mond in de tuin naar adem staan happen. (ik weet niet of dit fysiek kan, maar het gaat even om het beeld). Afijn. Wat ik zeggen wil. Fuck de haters, dat wil ik zeggen. En laat je als vrouw niet dubbel naaien. Eerst door de daders en daarna door die zieke figuren op internet die er zonodig hun sneue wufte (dames)meninkjes op los moeten laten. Want jullie zijn allemaal dapper en lief en mooi en knap en flink. En je mag al je metoos delen tot je er bij neervalt. Zonder nuanceringen, zonder politieke correcte shit, gewoon, rauw en kut, zoals het was/is. Omdat dat zin heeft. Daarom.

dinsdag 26 september 2017

Johanna Geels optimist bij EenVandaag

Vandaag was ik de optimist bij het NPO1 radioprogramma EenVandaag, nav een column over pijnpatienten die ik drie jaar geleden voor HPdeTijd schreef. Er is veel veranderd in de tussentijd, zo is het aantal chronische pijnpatienten bijvoorbeeld, door meer en beter onderzoek, verdriedubbeld. 

Ik ben zelf pijnpatient, mijn dochter is pijnpatient en 3 miljoen Nederlanders zijn het met ons. Dat is 18% van de bevolking! Voor al die helden steek ik vandaag nogmaals een kaarsje (lees: etherisch vuurtje) aan. O ja, en ik lees een gedicht voor natuurlijk.



vrijdag 22 september 2017

Mooi werk in museum Belvédère


Gisteren (21-9) brachten Kees (van der Knaap) en ik tekeningen naar museum Belvédère in Friesland, waar een selectie van zijn werk (tekeningen van Radio Kootwijk) binnenkort te zien zal zijn, en vielen middenin een drukbezochte kunstbeurs. Ik kocht een tekening van Henk krist, die mij aan 'De Eenzamen' van Munch deed denken en zag prachtig helduister werk van Alle Jong.

Kees zijn werk is te zien vanaf 27 september. De kunstbeurs duurt tot zondag 24 september. Het museum ligt prachtig midden in de natuur, dus dubbel prijs! 

Museum Belvédère
Oranje Nassaulaan 12
8448 MT, Heerenveen-Oranjewoud

Meer info: https://www.museumbelvedere.nl/
The Moor, Kees van der Knaap







Henk Krist, Back Home

Alle Jong





















woensdag 20 september 2017

Wat een tuin ziet als hij slaapt (deel III)


Ik heb misschien niet veel van de wereld gezien, maar de wereld in mijn achtertuin ken ik als geen ander. Ik ben in boomtoppen geklommen, door bladnerven gekropen, heb door hun sapbanen gesuisd en weet nu dat de wereld vanuit een beukenblad om twee uur ’s nachts zachter en meer gedempt klinkt dan vanuit een eikenblad. 

Ik hou van beuken. Ze zijn de koningen van het bos en zien er zo geil uit als het net geregend heeft. Die natte dikke stammen als glanzende pikken, dat zwoele geritsel van het tere blad als een minnaar die iets fijns in je oor fluistert alvorens hij je ongenadig te grazen gaat nemen.

Ik heb een tuin van niks. Vijf bij tien meter gevuld met wildgroei. Ooit heb ik er, in betere tijden, strakke funderingen aangelegd. Maar door de jaren heen zie ik hoe mijn tuin steeds meer uit zijn voegen kruipt. Het gazon inneemt, het terras, steeds dichterbij komt, en elke keer als hij de muren van mijn huis raakt hoor ik het ritselen in mijn slaap. Alsof iemand aan de binnenkant van mijn hoofd kriebelt. Dan pak ik de snoeischaar en knip de scheuten bij.

Ik heb een periode achter de rug waarin er aardig wat in mij is gehakt en gesneden. Dat moest, wilde ik blijven leven, maar ik haat de achtergebleven littekens, de roodpaarse strepen die als lianen over mijn buik lopen en nog altijd dik en pijnlijk zijn. De huid die na vier operaties nooit meer mooi strak, zacht en onschuldig verend zal worden. Het is de buik van een strijder, zegt mijn geliefde dan.

Mijn geliefde is als een beuk in het bos. Elke keer als ik hem zie trilt het vanbinnen een beetje. Dan wil ik zijn handen voelen, zijn zachte levende buik, zijn hitsige tong. Is ie echt? denk ik dan, echt helemaal voor mij alleen echt? Alsof ik het nooit helemaal durf te geloven. Dat laat ik nooit merken natuurlijk. Soms moeten dingen onbesproken blijven om ze te laten bestaan.

Laatst reden we door een dorpje waar ik vroeger gewoond heb. Ik vertelde mijn geliefde een verhaal dat ik al driehonderdduizend keer heb verteld. Hij zei dat ik het verhaal al driehonderdduizend keer had verteld. Ik zei dat echte liefde inhield dat je elkaar driehonderdduizend keer hetzelfde verhaal kon vertellen. Mijn geliefde keek me geamuseerd aan. ‘Is dat zo?’ vroeg hij. Al was het niet echt een vraag hoor, dat hoorde je duidelijk aan zijn stem. ‘Ja, dat is zo,’antwoordde ik bozig. ‘Wat is echte liefde volgens jou dan,’ vervolgde ik, nog steeds een beetje stuurs. ‘Echte liefde is een harde lul krijgen als je langs loopt,’ antwoordde hij.

Mijn geliefde is heel goed in het mijden van funderingen. Muren, poortjes, hekjes, hij ziet ze niet. Op andere dagen lijkt zijn wereld dan weer juist en alleen uit funderingen te bestaan. Houdt hij van reizen. Of heeft hij genoeg aan mijn achtertuin. Neemt hij alles serieus, of helemaal niks. Ik denk dat ik mede daarom zoveel van hem hou. Ik kan heel slecht tegen zeker weten. Zeker weten is de dood en alle oorlogen en gektes van de wereld tegelijk.

Mijn overgrootopa was dominee en professor hoogleraar in de theologie. Eerst bestudeerde hij jarenlang het geloof en daarna gaf hij er les in. Een paar minuten voor zijn dood echter ging hij ineens twijfelen en stierf vol gewetenswroeging. Ergens tussen het bestuderen, lesgeven en zijn dood in moet het dus mis zijn gegaan. Moet het geloven langzaamaan zijn overgegaan in een soort van zeker weten. En de pest met zeker weten is, het neemt alle ruimte in. Als het wegvalt heb je niets meer. 

Verder wil ik nog even zeggen dat ik slecht tegen ruzie kan. Dan ga ik trillen, zie ik alleen nog maar vlekken, hoor ik de aarde gonzen en moet ik weg. Daar ben ik ooit voor in therapie geweest, maar dat hielp geen zak. Tot ik een therapeut vond die zei dat ik mijn best niet meer hoefde te doen. En dat ik blij moest zijn met elke dag die ik redelijk normaal doorkwam. Vanaf dat moment zijn er al duizenden dagen prettig voorbij gegaan. Miljoenen seconden van turen, lopen, bouwen, slapen, zitten, beuken omarmen, knopen aan jasjes naaien, stukjes schrijven en vaasjes afstoffen.

Ik heb mezelf aangeleerd om tijdens ruzies aan nerven van beukenbladeren te denken. Weet je nog, zeg ik dan tegen mezelf, die middag in april, dat ik het meest zachte, verse en net uitgerolde blad ter wereld vond? Gewoon, achter de sering. En dat ik het streelde. Ineens iets nats voelde, omdat ik het kapot had gewreven, per ongeluk, tussen mijn vingers.



maandag 28 augustus 2017

Wendy’s Gouden Frietpaleis

Op het moment herlees ik de gedichten van Lorca en vind dat wederom zó mooi dat ik het telkens weg moet leggen. Met proza heb ik dat nooit. Een prachtige roman lees ik het liefst in één keer uit.
Mooie, écht mooie poëzie verdraag ik bijna niet. Alsof ik naakt door een regenbui van scheermesjes moet fietsen. Moet, hè, want liefst leg ik na elke zin mijn boek weg. Gewoon, omdat ik wil dat het stopt. Ik zeg dan tegen mezelf dat ik dapper moet zijn, ik kan het heus wel, een heel gedicht uitlezen, ik ben zelf dichter nota bene. Ja, eentje van niks, moppert een stem in mij, een flutdichter, een rommeldichter, een handelaar in ouwe voddendichter. Zwakke en zinloze pogingen om dingen die van zichzelf al prachtig mooi zijn een nieuwe plaats in ‘het spectrum’ te geven. Flikker op met je spectrum. En waarom dan. Leg dat maar eens uit. Totale waanzin. Spielerei. Ga wat nuttigs doen, idioot. Ga kinderen redden die door moeders op de rug gedragen door oorlogen schuiven. Ga biologische kroketten in hipstervet bakken, koop een keten van frituurhuizen die ‘Wendy’s Gouden Frietpaleis’ heet en een geit die nooit stinkt.

En wat ook gênant is, in de grond is dit allemaal onderdeel van dat verveelde schrijversgeleuter, zo van, ah, boehoe, kijk mij nou eens een getormenteerde dag doormaken in mijn getormenteerde lullige schrijvertjesbestaan. Dat je denkt, ik koppel mezelf daarvan los door het te benoemen, maar dat je het daarmee eigenlijk alleen erger maakt.

Er is dus die hoepel die om je heen draait, met glitters en lichtflitsen erin, tovenarij gewoon, hij lonkt, gonst, zingt, je wil hem vasthebben, maar elke keer als je denkt, ik heb hem, glipt ie weer uit je handen, rolt stratenlang voor je uit, door riolen en konijnenpijpen, tot je hem uiteindelijk vindt, op een vroege zondagochtend, helemaal uitgeglitterd en geflitst, gewoon een versleten hoepel in een uitgestorven park, als een gebruikt condoom achtergelaten in een bosje. Kerkklokken dramdreinzen in de verte, deuren in de stad gaan open, grijs geklede vogels sjokken in stoeten op het gebeier af, als motten naar een lamp.

Je pakt de hoepel op, hij ligt er tenslotte, je wilde hem tenslotte, zet hem thuis neer op een goede plek. Je kijkt ernaar, wijst ernaar als er visite is, vertelt er een mooi verhaal bij, zet hem op Facebook, op Instagram, paar sterretjes erbij, nieuw in de app, jottem, leuk, zonnetje, maantje, oh leuk, nieuw, iemand taggen die ook iets met schrijven doet, iemand taggen die ook wel eens onder het maanlicht in een drol is gaan staan, oh leuk iemand taggen die laatst zijn dode hond in chichoreiwortelaroma heeft gebakken en daarna alleen nog maar het alfabet kan blaffen. Of nee, wacht, iemand die iets met muziek bij gedichten doet, oh, origineel zeg, of met verf en bloedverdunners. Verf en bloedverdunners in prozacolie. Met Japanse liedjes erbij, ijl gezongen door een vrouw die in shibaristijl boven een podium hangt.

Mag ik nu ophouden? Gelukkig, de bel gaat. Er staat een pad voor mijn deur. De bulten op zijn rug glanzen in de zon. De pad is de weg kwijt. Ik zeg, je kunt hier helemaal niet verdwalen, idioot, ons buurtje kent maar drie straten en een zebrapad. De pad lacht charmant, verontschuldigt zich en huppelt weer weg. ‘Effe testen,’roept ie me nog na, ‘effe kijken of jij het nog wist.’ Ik gooi een verdwaalde sterrenappel naar zijn hoofd (mijn tuin ligt daar vol mee), maar die mist.

Meneer K belt, ik vertel hem van mijn paniek bij mooie poëzie. Je hebt het Stendhalsyndroom, zegt hij. Ik heb daar nog nooit van gehoord, maar zo zijn de verhoudingen tussen ons. Ik verzin dingen en meneer K weet daar dan een bestaand verhaal bij te vertellen. Of in dit geval, een syndroom aan te koppelen. In het kort houdt het Stendhalsyndroom in dat je zo overrompeld wordt door de schoonheid van kunst dat je er niet goed van wordt. De Mona Lisa zien en dan flauwvallen bijvoorbeeld.

Waar was ik gebleven. Lorca. Ik neem een gedicht. Stad zonder slaap. Die eerste regels vind ik al zo fijn: Niemand slaapt in de hemel. Niemand, niemand. Niemand slaapt.
Stel dat ik ze geschreven had. Ik kan me zo al 1883 redacteuren voor de geest halen die zouden zeggen, nou Johanna, vier keer ‘niemand’ in twee zinnen, twee keer ‘slaapt’ in diezelfde twee zinnen, nou, ik weet het niet hoor. Sterker nog, ik zou dat waarschijnlijk zelf ook zeggen. En vervolgens een paar niemanden en een slaap schrappen. Stom! Gewoon niks van aantrekken dus. Als iets goed is, is het goed. Alle niemanden en slapen ten spijt. Maar dan. Het gedicht zelve. Zo mooi. Ik buig, ik buig, zo diep als mijn rug, die rottige krakende plank het toelaat. Even een paar witregels inlassen, hoor, want ik heb het nu helemaal verpest voor Lorca met mijn woordengediarree.

Stad zonder slaap

Niemand slaapt in de hemel. Niemand, niemand.
Niemand slaapt.
De maanschepselen snuffelen en sluipen om de hutten.
Straks komen de levende leguanen de slapeloze mensen bijten
en wie vlucht met gebroken hart vindt op de straathoeken
de ongelofelijke krokodil kalm onder het tere protest van de sterren.

Niemand slaapt in de hemel. Niemand, niemand.
Niemand slaapt.
Op het verste kerkhof
klaagt een dode al drie jaar lang
over een dor landschap op zijn knie
en het kindje dat ze deze ochtend begroeven huilde zo hard
dat ze de honden moesten halen om het te bedaren.

Het leven is geen droom. Kijk uit! Kijk uit! Kijk uit!
We vallen van de trap en eten vochtige aarde
of klimmen tot de scherpe sneeuwrand met het koor van dode dahlia’s.


Maar geen vergeten of slaap:
lillend vlees. De kussen strikken de monden
in een warnet van jonge aders
en wie pijn lijdt zal onverpoosd pijn blijven voelen
en wie de dood vreest zal hem op zijn schouders dragen.


vrijdag 27 januari 2017

Rapsodie in B

Je kent dat wel, bij het zoveelste gedolven gat.
En dat je vroeger aan de dode dacht, en nu slechts
aan de afgebroken fietszadelpen van S,
het kapotte 24uurskaarsje van de Lidl.

Treurlied 1. Treurlied 2. Treurlied zonder eind.

Vrouw uit raam: ‘In den beginne was er niks. Niks dus.
En moet je nou kijken.’

Maar jij keek enkel onder de motorkap van je Cherry Tango.
In een tijd waarin alles okay was. (Omdat ik beter faken kon?)
Terwijl ik minstens tien keer op een nacht
uit elkaar getrokken werd, beenhard.

Maar sinds ik twee keer dood was. Fysiek dood.
Echt dood dus hè, geen grapje (en nooit licht zien, of tunnels,
ik bedoel, zelfs in de dood besta ik niet).
Mijn lithiumloze driepits hersenbak naar Australisch kangoeroemodel
compleet verlittekent blijkt te zijn waardoor ik (pingpong, pingpong)
veel vergeet (en waarmee ik maar zeggen wil, schatje, het is geen onwil).

Behalve de olifantsberg tweeduizend kilometer verderop
die in een tiende seconde zomaar ophield te bestaan.
En waar nooit meer zonnen opkomen of ondergaan.

Ik hield van die berg, de goden die hem bewoonden, de boten die af en aan, als messen
door hem heen gleden, maar hij ging niet dood, nooit dood, hij sliep slechts,
als een vader, met zijn mond een beetje open, de televisie op de achtergrond zacht aan.

Er waren mannen, vaders, bergen. Die plotseling ophielden te bestaan.
En er is een wereld die voorzichtig naderbij sluipt.
’s Nachts hoor ik hem, zijn gierende adem langs het raam.