vrijdag 23 september 2011

Duivenleed


Ik heb ruzie. Niet met mijn vriend, mijn kinderen of een instantie, al twijfel ik bij die laatste, het is verdomd moeilijk om niet regelmatig ziedend van machteloosheid met welke instantie dan ook aan de telefoon te hangen, onderwijl uren aaneen luisterend naar inmiddels dementerende popartiesten als Baccara of Murray Head, afgewisseld met berichten over hoe groot het groeiende cordon der wachtenden in je rechterhand is.                                                                                                                               

Ik heb ruzie met een duif. Voor de goede orde, ik haat duiven. Hoewel haat mild is uitgedrukt. Als je droomt van vreetfeesten waar dit vaalgrijze dier geserveerd wordt aan het spit, binnenstebuiten gekeerd en opgehangen aan zijn eigen darmenstelsel, zonder hoofd, dat na lang zoeken kan worden gevonden in zijn duivenpoeperd, datzelfde gat van waaruit mijn tuinameublement met zoveel richtingsgevoel regelmatig wordt ondergescheten, dan begrijpt men enigszins de intentie van mijn diepste gevoelens wat betreft dit dier. Met zijn vette lijf, hoe houdt hij zoiets in de lucht? Nu kan het beest er niets aan doen dat hij bestaat. Hij zal er zelf ook van balen, hij moet tenslotte de soort niet alleen dagelijks van dichtbij meemaken, hij moet ze zelfs vermenigvuldigen. Het kan echt niet lang meer duren tot hij de eer aan zichzelf gaat houden.

‘Mijn’ duif is nog niet zover en ik vermoed dat hij een nest wil. Duizend keer op een dag landt hij op mijn schutting (die heen en weer zwaait bij zoveel gewicht) om via die omweg in mijn druivenstruik te landen. Eerst zit hij minstens tien minuten met lege ogen naar de plek van bestemming te staren, je ziet hem denken, dat lukt me verdomme nooit. Dat hij daar al voor de 999e keer zit die dag doet daar niets aan af, hij blijft de struik hypnotiseren. Dan gaat de duif het proberen. Eerst lijkt het alsof hij zich gewoon laat vallen maar bij nader inzien neemt hij halverwege een duik naar voren om even later met dof vleugelgeklapper ergens midden in de druif terecht te komen. Daar neergestort, anders kan ik het niet noemen, hijgt hij even uit, onderwijl paniekerig om zich heen kijkend, niemand zal het toch gezien hebben? Dan wacht ik even, tot hij zich veilig waant, en kom ik. Met de bezem hoog in de hand ren ik onder luid gejoel naar buiten en ik zweer het je, elke keer weer kijkt hij verbaasd. Met alle kracht die ik in me heb laat ik de bezem in de druivenstruik neerkomen, de duif wordt nooit geraakt, nee, nu is hij inene wel snel en accuraat als een kolibrie, de linkmiegel. Hij scheert zich een weg door de lucht en crasht in de dichtstbijzijnde boom. Daar wacht hij een kwartier, met diezelfde lege blik. Ik zit voor het raam, bezem in de aanslag. Dat de duif dit gaat verliezen dringt niet tot die drie kubieke milliliter herseninhoud door. De duif moet en zal in mijn druif.

Ik ga dit winnen. Dat weet ik. Ik heb net een oranje keukenkrukje én een stoffer en blik én een felgekleurde theedoek in de druif gehangen. De duif kijkt het geïnteresseerd aan waarna hij zich wederom in mijn struik laat vallen, blij om zich heen koerend, alsof ik de boel voor hem aan het versieren ben nota bene. Dit is het moment dat ik bijna breek. Zoveel vertrouwen in een goede afloop is zelfs mij teveel. De duif hipt wat van links naar rechts en maakt van vreugd nog een serie oerstomme bewegingen waar de beste bioloog van de wereld geen enkel nut in zou kunnen ontdekken en gaat vervolgens met een luidruchtige plof zitten. 

Die plof doet het hem. Ineens weet ik hoe gruwelijk de toekomst zal zijn. Er gaan kleine duifjes komen, de ouderduif zal 999 keer per dag heen en weer vliegen, uitgeput raken, alle doelen missen, wanhopig wiekend door mijn luchtruim suizen, ons net niet rakend. De kleine duiven zullen groot worden, vliegles krijgen, waarna de een na de ander zich in een langgerekte oefening van mijn schutting af zal laten lazeren. Ik geef het op. Waar is mijn bezem!

woensdag 24 augustus 2011

29 augustus 2011- Water en Vuur VII gedichten bij beelden


Bij de uitreiking van de Wilhelmina-ring, de oeuvreprijs voor beeldhouwers, op 29 augustus a.s. op Paleis Het Loo vindt de presentatie plaats van de dichtbundel Water en Vuur VII, gedichten bij beelden.

De volgende dichters schreven op verzoek een gedicht bij een beeld in de openbare ruimte:
Erik Menkveld, Ed Leeflang, Tjarda Eskes, Remco Ekkers, Anna Enquist, Paul Hermans, Hans van de Waarsenburg, Herman Leenders, Mischa Andriessen, Victor Vroomkoning, Rutger Kopland, Hester Knibbe, Leo Vroman, Anton Ent, Saskia de Boer, Thomas Möhlmann, Maarten Doorman, Johanna Geels, Ad Zuiderent, Tom van Deel, Willem Bierman, Jana Beranová en Paul Gellings.

dinsdag 14 juni 2011

Luchtleven

Ik kan denken tot aan de lucht
dat wil zeggen tot ongeveer een meter
of duizend boven de bomen.

Ik weet niet hoe hoog vliegtuigen
kunnen komen maar laten we zeggen
tot daar en de vogels meegeteld.

Ik kan dromen tot onder de bodem van
de zee door waterkaarten heen over
snotolven die leefden in de buik
van die zanderige waterkom.

Over muien die zuigen en laten verdwijnen
de schrik de storm van een vissersboot
die stomme vrouwen en mannen ook.

Ik bedenk tuin, winddieren en op welke
akker zij passen als wij slapen onder
onze warme huid.

In dorpen waar dagen rijgen, kinderen zich
vervelen en vrouwen mannen slaan tijdens
het stugge voortplanten op deze door god
verlaten grond.

(uit Detox, 2010)

maandag 28 maart 2011

Geen lentegedicht

Ach jij lente
simplist
met je hysterische zon
je ultraviolette
hypomaan gedrag
blijf met je stralingsgevaar
van mijn D&G bril af.

Ik naai alle slopen dicht
niks geen ganzenveren gedoopt
in zoete zeurzinnen
dit jaar geen polonaise
of  suf gesus in vage weiden.

Geen Slush Puppies die je hemd in lekken
omdat je geil wordt van mijn gerafeld zoompje
dat zat er van de winter ook al weet je.

(Uit: Tuig, Atlas, 2008)

zondag 30 januari 2011

Oud

Vrijdagmiddag vier uur, centrale bibliotheek Apeldoorn. Op deze onverwachte plek sta ik plotseling oog in oog met mijn zoon en zijn vrienden (17+). Op mijn zoon na die zijn ze allemaal sinds enkele weken het huis uit. Ze stinken naar bier en staan geheel toevallig voor de nieuw uitgekomen boeken waar mijn gedichtenbundel Detox tussen staat. Maria kijkt vanaf haar kaft op hen neer. Ik wijs er naar met een iets te triomfantelijke blik. Vier gezichten doen hun best enthousiast te reageren. Alsof elke moeder in de bieb ligt godbetert. Eén van de vrienden pakt de bundel en slaat hem open, bekijkt mijn foto op de achterflap geïnteresseerd en zegt, mooie foto, maar u kijkt wel erg serieus, waarna hij hardop het gedicht Luchtleven begint te lezen.
Moet ik een korte pauze inlassen bij de enjambementen, vraagt hij beleefd.
Ik zeg dat dit niet hoeft.
Maar waarom staan ze er dan?
Hij kijkt me uitdagend aan. Ik weet het niet zo snel. Dat ik eigenlijk zelf nog maar drie jaar weet wat enjambementen zijn, vertel ik maar niet. 
Nou we gaan, redt mijn zoon de situatie. Naar Amsterdam.
Dat klinkt volkomen logisch.
Ik kom dus niet thuis eten, benadrukt hij alsof hij met een demente bejaarde van doen heeft.
Ik vraag niet wat ze er gaan doen. Ik vermoed dat mij dat geen barst aangaat. En eigenlijk voelt dat best goed. Ik heb een grote zoon nu. Het is dan wel veel te snel gegaan allemaal en hij stinkt naar bier om vier uur ’s middags maar hé, we staan in de bibliotheek. Er zijn ergere plekken te bedenken voor vier pubers die druk zijn het leven uit te vinden. Vier zwaaiende jongenshanden.
Dag mevrouw.
Noem me geen mevrouw alsjullieblieft, roep ik voor de zoveelste keer in zeventien jaar en besef met een schok hoe oud dat klinkt. En hoe vroeger de meest sneue ouders ons jongeren smeekten hen te tutoyeren. En dat je dat deed uit piëteit terwijl een gevoel van walging zich van je meester maakte elke keer als ze je groetten met veels te slappe handjes, alsof ze al half in ontbinding waren. In de natuur zou dan nu het moment gekomen zijn dat ik achtergelaten werd  in een diep bos. Ik zou nog wat jankende geluiden maken voor een halve maan en dat was het dan. Ik kijk naar buiten, daar lopen ze, mijn zoon in het veilige midden. Hun bovenlijven licht gebogen, hun ogen vol bravoure en met stappen die eigenlijk te groot zijn voor de stoep stevenen ze richting station. Ze duwen elkaar met schonkige schouders de straat op terwijl ze onderwijl wanhopig proberen hun handen in de zakken te houden. Ik sta voor het raam van de bieb. Ze kijken niet één keer om. Ik besef dat mijn zoon geen sjaal om heeft. En dat het vriest. Ik kijk weg van het raam. Ik kan beter naar huis gaan. Later in de auto piept mijn telefoon. Sms van mijn dochter: Mam, waar ben je?
Ik trap hard op het gaspedaal. Dat bos kan de boom in.


vrijdag 28 januari 2011

Omslag (over hoe wij Detox terug brachten naar Berlijn)

Immer gerade aus. Vanuit onze woonplaats rij je zo de snelweg op waarna je na een uur of vijf in een rechte lijn doorkachelen uiteindelijk vanzelf de Fernsehturm ziet opdoemen. Zo hebben wij het graag, Man en ik, wars van ingewikkeldheden als wij zijn. Wij gingen naar Berlijn omdat daar sinds ons eerste bezoek in 2008 een deel van ons hart ligt. Ze zwerven er sindsdien gezamenlijk door de hobbelige straatjes van Prenzlauerberg, eten avonden achtereen in het Indiase restaurantje in de Oderbergerstrasse of struinen er door de lege Plattenbau waar ze hongerig de geur van oude kalk en DDR steen opsnuiven. Wij proberen ze zo vaak mogelijk te bezoeken. Anders krijgen wij beiden heimwee.
Ditmaal hadden wij echter nog een ander doel. We zouden mijn net uitgekomen bundel Detox langs gaan brengen in Kreuzberg, om precies te zijn bij de slijter wier etalage werd gebruikt voor de omslag van de bundel. Wat hem overigens onbekend was. Hij wist niet dat wij vorig jaar door de Oraniënstrasse slenterden, Man en ik, waar wij plotseling stilhielden bij zijn etalage waarin een verzameling prachtige oude drankflessen op een verhoging stond met daarvoor als aanvoerder van het wankele veeltal, een manshoge Maria, in al haar hemelsblauwe glorie. En ik houd van Maria. In de spiegelende ruit reflecteerde ook nog eens de typisch Berlijnse gevel die aan de overkant uit de stoep groeide en wij aarzelden geen moment. Dit zou een geweldige omslag opleveren voor Detox. Ontgiften in extremo, met Maria als hoedster van de schoonheid en de troost.
Een jaar later werd de bundel feestelijk onthaald en zouden wij hem naar zijn oorsprong terugbrengen. Naar de drankhandel in Kreuzberg en de vrouw in de etalage die als taak had, dat wist ik zeker, de duivel die in al die flessen sluimerde te beteugelen.

Ik had er veel van verwacht. Man minder, die is beter in die dingen. We stapten dapper naar binnen, bundel onder de arm. De slijter wist niet wat hij er van moest denken en leek zelfs een beetje bangig toen wij hem de bundel plechtig wilden overhandigden. Of het echt gewoon een cadeautje was? Ja. Of er niets aan vastzat? Nee. En wat was dat dan allemaal? Ach, hij wilde het eigenlijk niet eens weten en keek verward om zich heen, alsof hij iets zocht waar hij zich even aan kon vastklampen. Iets vertrouwds. Ik duwde hem de bundel vriendelijk doch beslist in handen. Nu moest ie wel. Hij sprak langzaam de titel uit: D-E-T-O-X. Weer die angstige blik. Werd ie belazerd? Misschien wilde hij het in de etalage zetten, opperden wij, dan konden we er een foto van maken. Voor later. Blij dat ie tenminste een duidelijke opdracht kreeg ipv dit vage gedoe deed hij dat en maakten wij een foto. Zo. En nu moest hij weer aan het werk.
Ik vroeg mij af hoe lang die bundel in de etalage van de Oraniënstrasse zou blijven staan. Aan de voeten van die grote verstofte  Maria.
Ik was er inmiddels een beetje stuurs van geworden, van zoveel ongezelligheid, vluchtte een koffiehuis in en staarde minstens een half uur ontredderd uit het raam terwijl Man mij tig keer “Héé, du Ollie!” noemde onderwijl in mijn zij porrend en zo raar verhaspelt Duits pratend dat iedereen ons met open mond aanstaarde. Rare Hollanders. Na een half uur had hij eindelijk succes en proestte ik mijn halve koffie over het typisch Berlijnse interieur heen. Honecker keek vanaf de muur aan de overkant ernstig toe hoe de stoel onder hem langzaam bruin kleurde. Eenmaal buiten staarde ik in de stromende regen nog een hele tijd autistisch in een afvoerput. Waarom had ik geen gave voor een normaal leven, waarom deed ik mijzelf dit aan en meer van dat soort dramatische nuilgedachten stroomden samen met die regen de put in. Ik voelde mij een sukkel in tegenstelling tot de Man die zei het een prachtige dag te vinden. Hij is dan ook beter in die dingen.


zondag 23 januari 2011

Vandaag vangen we gifkabouters

Waar? In de SamSam in Apeldoorn. Van 15.00 tot 17.00 tijdens de bundelpresentatie van Detox met o.a open poëziepodium, optreden van Johanna Geels en Mark Beumers. De middag wordt op geheel eigen wijze gepresenteerd door dichter Lammert Voos.

Detox

In het grote blauwe varkensbos
vangen we gifkabouters
koud zo koud

ik zoek je hand maar je staat
aan de andere kant van de stolp
met je neus tegen het glas gedrukt
ik trek mijn armen in 

 fluister gedempt over houden van
durf niet goed hardop want het bos
schrikt zo snel vandaag zijn de bomen
alweer wat kaler en vallen er bladeren
op je getormenteerde hoofd

(je klotshoofd, waar het troebele water dagen
scheef in je ogen stond, vissen schuin doorheen
zwommen, me aankeken of ze eruit wilden)

hoe moeilijk van je af te blijven
als alles vraagt om lief
er staan entiteiten tussen

laten we slapen, vissen bevrijden
kabouters vangen, slapen, voor altijd
wakker worden.

donderdag 20 januari 2011

Over de vertaling van het Tranenpaleis, Nervenkitzel en gitaargejengel

Over toeval gesproken. Mijn geliefde zat vorig jaar zomer in Oostenrijk voor een ‘guitar bootcamp’ ergens hoog in de bergen in the middle of nowhere 24/7 te pielen op zijn gitaar. Niets bijzonders, dat doet hij thuis ook, ware het niet dat hij daar een Hans en Grietje huisje deelde met een meneer die Geoffrey Mulligan heette.
Tot zover gingen bij mij ook nog geen bellen rinkelen totdat mijn geliefde mij enthousiast vertelde dat deze meneer Mulligan editor was voor uitgeverij Harvill Secker in Londen, binnenkort het LCB in Berlijn zou gaan bezoeken (waar ik vorig jaar een maand schrijvend doorbracht) en dat hij regelmatig in Berlijn was in de jaren ’60, ‘70. Hij vroeg aan geliefde of hij het Tranenpaleis kende, een voormalig wachthuisje aan de Friedrichstrasse waar mensen uit west nadat ze op bezoek waren geweest in de DDR afscheid namen van oost. Hij had het altijd een ontroerende plek gevonden maar was er sinds de jaren ’70 nooit meer geweest .
Geliefde  vertelde dat ik er in Berlijn een gedicht over had geschreven, zocht het op internet op en liet hem dit lezen. Mr Mulligan was impressed en besloot mijn gedicht met hulp van geliefde (als Johanna-deskundige)  in het Engels te vertalen. Nu was het gedicht al eens in het Engels vertaald maar dat mocht de pret niet drukken.
Dágen zijn ze er in de ijle berglucht mee bezig geweest tussen gitaargejengel en gitaarpraat door terwijl ik via MSN op de hoogte werd gehouden van de vorderingen. Ik zag het al voor me, al die stoere gitaarmannen daar elke avond in de plaatselijke Stube, terwijl mijn geliefde en Mr Mulligan aan een hoekje van de bar uren bewogen discussieerden over een woord van drie letters. 
Nadat ze mij trots het eindresultaat hadden doorgestuurd stapten ze  in de nabijgelegen ‘Nocky Flitzer’, een spektakuläre Alpen- Achtbaan die volgens de folder 'Nervenkitzel' garantiert, waarna ik een dag niets meer van ze vernam. Gelukkig had ik de vertaling nog.

THE PALACE OF TEARS

As if it must be covered over, white
cloths flutter loose around the old glass waiting room
like giant handkerchiefs in the wind.
Before it stands a child who might have drifted
from the sky. It waves.

Once the world stopped here. Now the
ruined border station lies uneasy between
new buildings under a remorseless sun which
angles harshly against glass forged of tears.

The outflow pipe that hangs askew
against the glass waiting room drips water on the sand
like a tear duct. This schizophrenic land.

Where the wall lopes like a phantom
through the streets. It’s always been there. Like
the spirit of ghost station U6 beneath me still trusting no one
keeping a tireless eye on this underground world.

Johanna Geels
Translation: Beumers and Mulligan

Het origineel:

Het Tranenpaleis

Alsof het moet worden toegedekt, witte
lappen wapperen los om het oude glazen
wachthuis heen als reuzenzakdoeken in
de wind. Ervoor staat een kind dat zo 
uit de lucht lijkt gewaaid. Het zwaait.

Hier hield ooit de wereld op. Nu staat
het vervallen grensstation onwennig tussen
nieuwbouw in een nietsontziende zon die
fel afketst tegen het uit tranen getrokken glas.

De afvoerpijp die scheef tegen het
wachthuis aanhangt drupt als een traanbuis
water in het zand. Dit schizofrene land.

Waar de muur als een fantoom door de
straten loopt. Nooit is weggeweest. Als
de geest van voormalig spookstation U6
onder mij die nog altijd niemand vertrouwt
en onvermoeibaar dit ondergrondse leven
in de gaten houdt.

Johanna Geels
(uit Detox, 2010)