zondag 9 december 2012

Demp. Dwarrel. Demp. Tot wit.

Kijk naar de sneeuw.
Voel sneeuw.
Vreet sneeuw.

Vul de jankende leegte tussen je organen
met sneeuw.
Koel de gloeiende kolen in je gekromde lijf
met sneeuw.

Roep sneeuw, elke keer als je zijn fantoomstappen
hoort, zijn wegstervende stem, sneeuw!

Plemp je brullend wolvinnenhart vol
met sneeuw.
Laat het zachtjes dwarreldempen
tot wit uitgestrekte vlaktes.

Vlaktes waar niets groeit.
Behalve ijsbloemen.
En vlokkenbergen.
In een strak damasten servet.

En daar dan staan.
Wit en koud en stil zijn.
Zijn lieve zachtwitte haargrens proberen te vergeten.
Alles vergeten.
Je moet.
Je moet.
Sneeuw worden.
Damast.

     

woensdag 28 november 2012

Gedicht bij foto voor project 'Dichtlicht'

Voor het project Dichtlicht (gedichten bij portretten van dichters, foto: Lynne Greeneway) schreef ik afgelopen maand bij onderstaande foto het volgende gedicht:


Vang me dan

Ik ben hier niet om mooi te zijn
al draag ik de ketting van mijn oma,
bloedkoraal en Joegoslavisch filigrein,
loodzwaar om mijn nek.

Mijn oma droeg hoedjes met voiles en minnaars,
hoge hakken bij de vleet, ’s nachts als iedereen
sliep plukte ze bloemen uit de tuinen in de buurt,
goot sherry in limonadeflessen.

Ik ben hier niet om naam te dragen, nu bijvoorbeeld
ben ik dichter met een haak door mijn lip,
vannacht was ik pijpkoningin, vanavond
weer moeder met kapucijners in een pan.
(vang me dan)

Mijn haar groeit wild en groter, mijn lippen,
mijn bloem roder, strakgetrokken huid
waar de haak door mijn wang prikt en het
laatste staartje nachtelijk zaad als over een bowlingbaan
langs mijn huig de diepe donkerte in glijdt als ik slik.
(ik wil ‘m vangen, kom terug mijn lief, kom terug)

Ik ben hier niet om wanhopig te zijn,
sterk moet ik zijn, als visvrouwen in het zicht
van de haven, uitgebeten, tanig en leverrauw,
ik draag godverdomme niet voor niks drie kinderen
op mijn nek, boet palingnetten met mijn tong
tussen de tanden.

      Vanuit het open raam komt alweer een nieuwe lente aan
met nog meer bloemen, kinderen, palingen en filigrein.
(ergens buiten loop jij zoekend rond)

      Op een dag vallen wij allen door de mazen van het net.

Johanna Geels (november 2012)


   

donderdag 15 november 2012

Geels en Beumers in Theater 450



THEATER 450 nodigt u uit

THEATER 450 nodigt u uit op zondag 25 november 2012
deur open 14.30 uur
aanvang 15.00 uur
de Man van Madonna
met
Paul van Soest (spel)
Marcelo Rubio (flamencogitaar)
een actuele interpretatie van het kerstverhaal
een poëtische tekst geschreven door Daphne de Bruin
Jozef, Maria en God in debat over de ons zo bekende periode
en verder: Johanna Geels (dichter, performer)
Mark Beumers (gitaar)

info:link

maandag 29 oktober 2012

Johanna Geels en Mark Beumers komen bij je thuis!


Johanna Geels en Mark Beumers komen bij je thuis! Tussen de schuifdeuren, in de tuin, in een boomhut, op een biljart, een boot, of gewoon gezellig bij jou op de bank. We nemen je 2 keer 20 minuten mee op reis door de wondere wereld van Johanna's gedichten en de droommuziek van Mark. Voor info en boekingen: johannachristina@xs4all.nl of vegavista@hotmail.com

Voor een impressie:

  

zondag 9 september 2012

Gewoonanita


Gewoonanita heeft een trimsalon
voor honden die passen bij haar bank.

Ook heeft ze een opvanghuis, ze verzamelt
knaagdieren thuis met liefst te lange nagels.

In haar schuur woont een man die hobby’s houdt.

Soms maalt hij ze tot zaagselvlinders met een
afkortzaag.

Maar meestal staart hij een beetje voor zich uit
als Gewoonanita niet kijkt.


zaterdag 25 augustus 2012

Het nieuwe uitgeven


Of: De opkomst en ondergang van Lieve vrouwen.

Waarom wil iemand schrijver worden? Vanuit een zucht naar romantiek, weltschmerz, idealen? Of, zoals in mijn geval, omdat je voor de rest niks kan, je op je veertiende al Jezus in de wolken zag en je toch íets moet met zo’n visioen. Rijk worden is zelden een reden. Logisch, Nederland kent slechts een handjevol schrijvers die na uitgave van hun boek met uitdijende portemonnees rondlopen. De rest stelt zich over het algemeen tevreden met een armetierig bestaan. Ooit zullen zij het boek schrijven waar de wereld op wacht. Tot die tijd houdt men zich in leven door in plaatsen als Doetinchem wat voor te lezen voor een handjevol mensen op leeftijd die de voortkruiende tijd doden met een schrijver. Soms zit er een jongeling in de zaal met glanzende ogen. Op een dag zal hij schrijver zijn. Aan geld denkt hij niet.

Uitgevers denken anders. Een schrijver moet geld opleveren. Een schrijver zonder bestsellerpotentie is een schrijver zonder boek. Er schijnen redacteurs rond te lopen die undercover speuren naar auteurs met de juiste kenmerken. Er is onlangs een clubje op de hei gesignaleerd die voor manshoge foto’s van schrijvers als Kluun, Herman Koch en Heleen van Rooyen stonden. Billboards van onbekende schrijvers werden er tussen geplaatst waarna de verschillen of overeenkomsten met de bestsellerkanonnen grondig werden besproken. Afvallers werden regelmatig achter een struik teruggevonden door wandelaars die er vanaf dat moment voor de rest van hun leven een raadsel bij hadden.

Aangezien ik twee dichtbundels heb gepubliceerd waar ik soms mee door het land trek mag ik mijzelf dichter noemen. Het klinkt wat armzalig maar men moet iets zijn. Ik kan er net van leven, mijn dochter en kat van voeden en ben best tevreden zo.

Een paar jaar geleden zaten mijn (inmiddels ex) partner en ik midden in een heftig verhaal. Ik besloot dat verhaal te gebruiken voor een boek. Aangezien al dat waargebeurde me teveel was, veranderde ik hier en daar wat zaken en noemde het een roman. Ik ben tenslotte uitvoerend fantast. Zonder verzinnen is schrijven geen zak aan. Ik stuurde het naar mijn uitgever, die enthousiast reageerde en met mij aan de slag ging. Na een jaar hard werken was het af. De stemming was feestelijk, ik tekende een contract, er werd zelfs gesproken over mediatraining, kortom, ik was glansrijk door de bestsellertest gekomen. Ik was dan ook veel uitgeversborrels afgegaan, iets wat voor mij geen sinecure is. Bij teveel prikkels kan het zomaar gebeuren dat ik Onze Lieve Heer in een stoeptegel zie verschijnen. Er werd nog wat gesteggeld om de titel, want ook die moest bestsellerproof zijn. Mijn Aangeschoten wild was dat niet. Vergetelheidsvrouwen ook niet. Heldin op afroep, zo moest het gaan heten. Ik staarde bleek in mijn mailbox. 

Ondertussen wachtte ik op de drukproef, die, zo werd mij beloofd, snel zou komen. Er kwam een hippe fotograaf langs, ik kreeg twee glanzende pagina’s in de prospectus en psychiater/ schrijver Bram Bakker was zo vriendelijk een wervingsstukje voor mij te willen schrijven. Ik kwam in contact met een editor van een grote uitgeverij in Londen die benieuwd was naar het boek. Crossroads, de verslavingskliniek van Eric Clapton op Antigua, komt er namelijk prominent in voor, waar een collega van hem had gezeten. Er was een documentairemaker bezig met een docu over Gerry Rafferty. Het bleek dat mijn toenmalige partner één van de laatsten was die de muzikant kort voor zijn dood had gesproken, muziek met hem had gemaakt en of hij dat gedeelte uit het boek t.z.t voor de camera wilde voorlezen? Kortom, ik was voor iemand die niet graag buiten komt leuk bezig. Bij de uitgeverij leek men ook tevreden en tijdens borrels kwam men enthousiast op mij af. Ik was toch degene met dat veelbelovende boek? Met een suizend gemoed reed ik na zo’n avond weer naar huis. Dat zou wat gaan worden. Als mijn zenuwen het maar hielden, ik niet binnenkort een bedevaartsoord in de tuin van mijn nederige huurwoning zou kunnen uitbaten vanwege alle religieuze verschijningen die zich zouden openbaren.

Weken, maanden gingen voorbij. De uitgeverij was druk met fuseren, we kregen een brief, geen zorgen, alles kwam goed. Wij zouden beter begeleid worden dan ooit, de wereld was te klein (of was het nou te groot?) en we zouden allemaal gelukkig worden. Er kwam ook een uitnodiging. Voor een debutantenborrel. Ik voelde verwarring, zat tenslotte al vijf jaar bij deze uitgeverij, hoe lang bleef men debutant?

De dag dat mijn PR-campagne zou worden uitgestippeld, ergens halverwege maart van dit jaar, kwam dichterbij. Ik was, zoals het een bestesellerauteur in spé betaamt, begonnen met een boektrailer en regelde heuse ‘PR-dingen’. De dag ervoor werd de afspraak afgezegd. Ergens ging een belletje rinkelen. Daarna werd ik gebeld door een onbekende mevrouw, voor een afspraak bij de nieuwe uitgeefpauzin. Of ik al eens op de uitgeverij was geweest? Zonder mijn antwoord af te wachten vertelde zij hoe ik er het beste kon komen. ‘U kent de Herengracht?’ Het belletje werd een scheepshoorn.

Afijn, mijn roman werd afgeblazen. Het moest een autobiografie worden. Dan hadden ‘we’ goud in handen. Ik stamelde dat ik dit niet wilde, dat ik geen zin had de rest van mijn leven een waargebeurd verhaal als een stinkend kadaver achter me aan te slepen en dat het niet in mijn oeuvre paste maar de uitgeefpauzin hield voet bij stuk. Na weken heen en weer mailen en de concessie mijnerzijds er dan maar een autobiografische roman van te maken, hetgeen direct werd verworpen, zat er nog geen millimeter schot in de zaak. Ik moest all the way. Non-fictie. Er zou een bouwlamp op mijn leven worden gezet en elke schuilplek die ik in mijn roman zorgvuldig had ingebouwd zou genadeloos worden dichtgetimmerd. 

Ondertussen ging de pauzin op mijn gemoed werken. Eigenlijk was het best een slecht boek. Het zou alleen nog te redden zijn als ik er een autobiografie van maakte. Wist ik trouwens wel hoe rijk ik (we) kon(den) worden met een heus waargebeurd verhaal? Ik vermoedde dat dit de vileine spelletjes waren waar de LIRA mij voor gewaarschuwd had toen ik hen om advies vroeg. Ik dacht aan de jongen met de glanzende ogen in dat zaaltje in Doetinchem. Wist hij wel wat er boven zijn hoofd hing?

En toen? Toen niks. De VvL (Vereniging van Letterkundigen) liet mij weten regelmatig gebeld te worden door schrijvers die zich schandalig door de uitgeefpauzin behandeld voelden en schakelde een advocaat in. Die adviseerde mij de pauzin enkele (door hem gedicteerde) brieven te sturen over contracten en afspraken waar overigens nooit een antwoord op kwam. Mijn Lieve vrouwen zweven sindsdien als geesten over het internet. Ze worden nog steeds verwacht bij Bol.com, de AKO, hun finale rustplaats. 

Laatst liep ik wat verloren op de hei. Daar vond ik mijzelf op een billboard achter een struik. De G boven mijn hoofd was vervaagd zodat het op een promotieposter van de band EELS leek, ware het niet dat ik zelf op de foto stond. Voor wie het interesseert: Ik leek niet echt.



dinsdag 8 mei 2012

Zeevaarders


We kenden de sterke verhalen, de
uitgesleten wonderen in steen.

We streelden de rotsen en keken terug
op een verdronken leven.

Gooiden een kiezel in zee, en nog één,
noemden het een daad, wat overdreven was.

We aten zeefruit in een etablissement met
slagroom en een parasolletje. Later, in de
grootste schelp van de wereld stak je die
in mijn haar.

Terwijl wij buitengaats dreven vroeg je mij
voor het leven. Natuurlijk zei ik ja.

vrijdag 27 april 2012

Meet Estelle

Meet Estelle Reed. Danseres. Zij woont sinds twee dagen in mijn boekenkast. Ze leunt er fabelachtig nonchalant tegen de rug van Eco aan. Het kan haast niet anders of de witte anjers op tafel zijn daar door de fotograaf neergelegd. Ze horen bij het beeld, niet bij de vrouw. Estelle heeft niks met bloemen. Ze zijn maar zo kort mooi. Haar handen en haren omlijsten haar gezicht, houden haar gedachten, haar dromen bij elkaar. Als ze loslaat springen ze als duveltjes uit een doosje allemaal een andere kant op. Valt haar gezicht in pixels uiteen. Estelle is van niemand. De fotograaf mag dan een stukje van haar leven hebben gevangen, een seconde na de klik staat ze waarschijnlijk alweer bij de deur. Een vluchtige zwaai en roetsj daar gaat ze, de stad, de kroeg, het leven in. Voor 1 euro kocht ik een nanoseconde Estelle. Die nanoseconde vertelt mij alles over wat ik op dit moment moet weten. Over authenticiteit. Over trouw blijven aan jezelf, dat soort geouwehoer. Het gekke is, als ik 's avonds naar bed ga, leg ik mijn rode haarbloem voor haar foto. Ze mag gewoon niet alleen de nacht in, niet in zwart-wit. Terwijl ik weet, het hoort bij het beeld, niet bij de vrouw.



donderdag 12 april 2012

1974


Toen ik nog vissen voor
mijn verjaardag kreeg.

Zeker wist dat blinde kuikens
konden zien.

De Kalejoekie zong met alle
sloopkinderen van de straat.

Moeders rok gezegend werd
door de grote handen van.

Hoe lang een Chinees was.


vrijdag 13 januari 2012

Wildwuchs

Wo soll ich mich selber lassen wenn meine
Fingerkuppen Wuchergewächs austreiben.
Tagsüber stutze ich es aber nachts kriecht
es über meine Matratze die Wände hinauf
und haftet sich an die ausgelesene Decke.


Hier wartet es auf erlösende Worte.
Spreche sie aus. Kornelkirsche. Zöllner. Sägezahnmaul.
Salomonssiegel. Augapfel. Und irgendwo in dieser willkürlichen
Folge spüre ich sie nachgeben, bewegen, ziehen
die Klauen sich ruckartig in meine Finger zurück.


Lass die Hunde los und gebe mir eine Kaninchenpfote
für unterwegs mit. Dann drücke ich meine
Kippe an der Stelle aus an der ich sie fand. Segne
mit gekreuzten Fingern den erschöpften Boden. Entsage
den Nächten. Dort wird nichts mehr wachsen.

(vertaald door Janet Blanken, org titel: Wildgroei, uit Tuig, 2008)