zaterdag 25 oktober 2014

Berlijn, stad van de duizend ogen

Precies 5 jaar geleden, oktober 2009, was ik writer in residence in Berlijn en resideerde een maand in het LCB (Literarisches Colloquium Berlin) op de bovenste verdieping. Ik schreef er aan mijn tweede bundel ‘Detox’, trad er op en doorkruiste als een dolle de overweldigende kermis van tegenstrijdigheden die Berlijn is. Onder mij zat een Poolse(?) vertaalster met haar man. Elke nacht vochten zij elkaar dronken de tent uit. 

Er gebeurden meer rare dingen. Zo hoorde ik meerdere malen feestelijke geluiden vanuit de keuken op de benedenverdieping komen. Vooral in de weekenden, als de andere (vaak Duitse) gasten naar huis waren, en ik het huis voor mezelf had. Om in de keuken te komen moest ik vijf krakende trappen in dat kleine donkere kasteel aan de Wannsee afdalen. Eenmaal beneden grijnsden het aanrecht, de koelkast en het gasstel mij dan verlaten aan. Geen levende ziel te bekennen. Elke keer weer was ik hevig onder de indruk van zoveel bedrog. En bang. Niet in het minst vanwege de gerede kans dat ik gek geworden was. Ik zie en hoor vaker dingen die er niet zijn, maar op de een of andere manier went dat dus nooit. Of was ik in een spookhuis beland?

Boven mijn bed hing een grote ingelijste kunstposter. Een loeizwaar ding. Nadat die voor de zoveelste keer midden in de nacht van de muur lazerde en vlak naast mijn hoofd terechtkwam, was ik het zat en zette het monster in de gang. De huisbewaardster van het LCB vroeg vriendelijk of er soms iets mis was met het portret. Vond ik het niet mooi, misschien? Toen ik vertelde dat het ding telkens van de muur kwam, schudde ze haar hoofd, dat had ze nog nooit meegemaakt. Ze liet het vakkundig ophangen door een meneer met veel gereedschap rond zijn middel, maar het ding bleef naar beneden komen. Daarna kreeg ik een repeterende droom. Er werden in mijn kamer jonge jongens gedrild en gemarteld, terwijl ik gedwongen werd toe te kijken. De jongens riepen mij elke nacht om hulp, maar ik kon niets doen. Dit alles was zo levensecht en ik werd er naderhand zo misselijk van wakker dat ik niet meer durfde te slapen en rechtop in bed naar de Duitse Tell-Sell keek tot ik omviel.

Overdag slierte ik door de straten van Berlijn, door zijn verhalen, zijn indrukken, zijn geuren. Niets werd overgeslagen, alle hoeken en kieren van de stad snoof ik hongerig op. Alsof ik 14 was, en voor het eerst verliefd. Misschien waren het ook ditmaal mijn gammele hersenstofjes en was ik zo hypomaan als de pest, maar wat geeft het, ik zal de overweldigende explosie van pure, onversneden liefde nooit vergeten. Nog nooit had ik zo intens van een stad gehouden. 

Nu, vijf jaar en vele bezoeken later, kan ik zeggen dat Berlijn me net zoveel opgeleverd als geflikt heeft. Het is een harteloze verrader geweest, de beste minnaar ooit, de meest geduldige luisteraar en ongeïnteresseerde klootzak tegelijk. De man achter het gordijn, het steentje onder mijn voetzool, de grootste faker en betrouwbaarste vriend ooit, maar bovenal de meest heldere spiegel van mijn ziel. Dat laatste klinkt belachelijk dramatisch, ik weet het, en normaliter zou ik mij de ogen uit mijn kop schamen voor zo een kitsch-zin, maar anders kan ik het niet zeggen. 

Toen ik het LCB verliet werd ik vriendelijk uitgezwaaid. Een medewerkster gaf me een dikke knuffel en fluisterde 'Tot over vijf jaar, misschien' in mijn oren. Ik keek haar niet-begrijpend aan. 'Een schrijver moet na zijn residentie vijf jaar wachten om hier opnieuw te mogen resideren,' legde ze me uit. Maar logeren mocht altijd. Of ik binnenkort weer eens kwam? 

Ik zou waarschijnlijk schriften vol kunnen schrijven. Over de enige stad ter wereld waar ik me thuis voel. Thuis ben. Ik zou willen weten waarom. Hoe. Ik zou onder die straten willen kijken. Naar de vluchttunnels, die als verlaten konijnenpijpen onder de grond liggen. Maar dat durf ik niet. Nog niet. Ik heb er wel gedichten over geschreven. Bij deze eentje. Omdat het vijf jaar geleden is dat ik hem schreef. Oktober 2009. 

Het huis van de duizend ogen

Verstopt tussen de grijze Plattenbau aan de Normannenstrasse
slapen de voormalige ogen en oren van de stad. Nog hangt het
wantrouwen hier zwaar in de gordijnen, drukken systemen in 
systemen de gefineerde bureaus diep in het tapijt en draagt alles
in dit mosterdvale interieur zijn eigen achterhaalde gelijk.

(Het zit onder mijn haar, ik voel het prikken op mijn hoofdhuid, 
deze stad kruipt langzaam in me, oude verhalen verplaatsen zich 
naar het nu, gisteren nam een vrouw mij apart en siste dat ze werd 
afgeluisterd, ze wist het zeker en haalde haar batterij uit haar tele-
foon. Ik dacht, ze is gek, of ben ik het zelf en voelde hoe achterdocht
zich nestelde, verloor het begin en het eind en wist, zo ging dat hier
dus, een collectieve angst die misschien wel nooit voorbij is gegaan 
en achter vriendelijk Berlijnse maskers leeft maar nog elke dag 
door de kieren van de stad zweeft.)

Hoeveel afluisterapparatuur ligt nog in schachten en verwarmings-
buizen te wachten tot nader order. Hoeveel vluchttunnels die als ver-
laten konijnenpijpen onder de stad liggen. Hoeveel mensen wachten 
nog op de puzzelvrouwen in Neurenberg die hun leven langzaam tot 
een eenheid plakken. Dan sta ik onverwacht in een keukentje met 
Mariablauwe tegeltjes. Hoeveel mensen wasten hier hun handen 
in onschuld.


Meer gedichten die ik in Berlijn schreef vind je hier.

Een artikel over 50 jaar LCB aan de Wannsee en de Vlaamse en Nederlandse schrijvers die hier door de jaren heen resideerden, vind je hier.


Op de (krakende) trappen van het LCB




dinsdag 9 september 2014

De poëzie heeft ballen, street credibility (en wijsheid) nodig

"Gestapelde verbazing over de wereld om je heen, of verveling alleen is niet genoeg."

Het stoort me al een tijd. Nee, ik begin te netjes. Ik moet het maar gewoon eens durven zeggen, dat lucht op. Ik val gelijk met de deur in huis, dan hebben we het gehad: 

Ik ben de flauwe, keurige, verantwoorde maniertjespoëzie spuugzat!

Vooral meisjes zijn er goed in. De jonge dichteressen. Het gedreutel, het verbaasde omhoog kijken, de kabouters, de ijle luchten, de voetstapjes in de sneeuw. De er-is-niks-aan-de-hand-poëzie. Hutselknutselpoëzie. Met om de zoveel zinnen een Bibelebontse berg of een absurde aandoening die doet vermoeden dat de dichteres haar gedichten schrijft met de medische encyclopedie op schoot. Wreveljeuk, krijg ik er van. Het is stomvervelend, makkelijk en saai. 

‘Maar jij schrijft ook over kabouters,’ zei laatst een dichter tegen mij. ‘Ja,’ antwoordde ik, ‘maar die zijn dood of liggen vloekend en genummerd onder de grond. Dat is toch een nuanceverschil.'

Hetzelfde geldt natuurlijk voor flauwe jongenspoëzie, al ligt het zwaartepunt daar meestal niet bij de gespeelde verbazing maar bij de geëxalteerde verveling. Deze dichter heeft zogenaamd alles al gezien, verbaast zich nergens meer over en weet het allemaal wel. Het is kut. Morgen is het waarschijnlijk nog kutter en gisteren was het ook al niks. Vaak worden de gedichten monotoon voorgedragen. Bij het lezen/aanhoren van dit soort poëzie moet ik nogal eens de neiging onderdrukken om de desbetreffende  dichter een tijdje op de kop te zetten en net zolang door elkaar te schudden tot de maniertjes vanzelf uit zijn hoofd vallen. Als een sneeuwbol die je omdraait en dat het dan ineens winter is. Zo’n ouderwets krakende winter zonder comfortabele doorzonwereld waarin je kunt schuilen achter je designradiator. 

Misschien hebben de meisjes en jongens van de flauwe poëzie gewoon nog niet zoveel meegemaakt, en dat geeft niks, maar ga dan eerst een paar jaar léven, lezen, oefenen in schrijven. Of ga wat anders doen. Gestapelde verbazing over de wereld om je heen, of verveling alléén is namelijk niet genoeg. Poëzie is een proces van langdurig botten en knotten, van destillatie, indikking, rijping, tot er schimmelculturen ontstaan. Nare luchtjes. Poëzie heeft tijd nodig om door te dringen tot de vuige kern, het smerige dat bij de randjes leeft, waar het kiert, broeit en schmiert. Zonder academische benadering, zonder compromissen. Poëzie hoort op straat. Waar alles kan worden gezegd. De wereld om ons heen is al vergeven van mensen, televisieprogramma’s en Facebook accounts die zich beter en mooier voordoen dan ze zijn. Een wereld waarin mode regeert, de waan van de dag, poses, glijgladde porno, social media en neptieten. Poëzie zou bij uitstek een medium kunnen zijn waar de rauwe werkelijkheid zijn grijnzende smoel laat zien. Niks geen beleefde mannen en vrouwen onder elkaar die met de pink omhoog hun brave en knap geconstrueerde versjes declameren. Goede poëzie wil vloeken en janken op een vuilnisbelt onder een bleke maan, schrijnen, bijten, ik zou bijna zeggen, een spiegel van de wereld zijn, als dat niet zo verdomde aanstellerig klonk.

Bottomline is dat ik de poëzie zonder ballen zat ben. Het gefleem, de zachte handschoentjes, het geschuifel in de gang. Het moest maar es gaan donderen, knetteren, gaan stomen in die letteren. Weg uit de gepoederde salons, hup, de straat op. Dwars door de drek. En als je eigen modderpoel niet diep of smerig genoeg is, ga je maar aan de rand van die van een ander zitten, zo eentje die meurt en afgeeft. Voor schrijven is lef vereist, niet bang zijn om vieze handen te maken, nooit bang zijn. 

En nee, ik noem geen namen, dat moeten recensenten maar doen. Ik bespeur enkel een tendens. Verder zou ik uitgevers willen oproepen zich niet alleen te focussen op jonge knappe jongens-en-meisjesdichters, maar ook op de meer gelauwerde, ervaren poëten. Ik vernam een tijd geleden van iemand uit 'het literaire wereldje' dat er sinds de crisis in boekenland nogal wat oudere en ervaren dichters uit poëziefondsen (van grote uitgevers) zijn geknikkerd omdat ze niet jong en hip genoeg zouden zijn, en dat lijkt me geen goede zaak. Laat de poëzie in godsnaam over aan dichters die daadwerkelijk wat te zeggen hebben, ongeacht hun leeftijd, geslacht of hipster credibility. Street credibility, levenswijsheid en boven alles kwaliteit. Dáár zou het om moeten gaan. 

zaterdag 26 juli 2014

Youp en de verdrietdirigenten (over Tokkie-en-intellectuelenverdriet)

Mijn column voor HP/DeTijd 25-7-2014:

Een dag na de vliegtuigramp ontving ik een mail van mijn dochters school. Een vroegere klasgenoot van haar had samen met zijn moeder in het neergehaalde vliegtuig gezeten. Ik probeerde een plek te vinden om dit rauwe nieuws in op te bergen. De avond ervoor had ik op internet gruwelijke beelden van de rampplek gezien, de lijken, de lichaamsdelen. Waren de beelden tot nu toe anoniem geweest, na die mail van school kon ik er ineens namen en gezichten aan verbinden.

MIJN verdriet
De volgende dag was het me nog niet gelukt om het verdriet hierover te plaatsen. Ik voelde telkens tranen prikken als ik aan die jongen dacht, aan zijn moeder. Aan mijn eigen mooie, lieve kinderen. Aan de onschuld van het ‘op vakantie gaan’. Het botte terugkeren in een kist. Maar ik huilde niet. Want wat had ik ermee te maken? Hoegenaamd niets natuurlijk. Op internet volgde ik het nieuws op de voet. De reacties. Nog steeds met dat verdriet dat als een nomade door mijn lichaam scharrelde. Na enkele dagen werd dat zwerven een plek op zich. Een hele grote plek weliswaar, maar het was nog altijd MIJN plek. Vol met MIJN verdriet. Na een paar dagen kwam er ook af en toe een traan. MIJN traan. Dat luchtte best op.

Mediageil?
Niet voor lang, want op internet zag ik steeds meer reacties voorbij komen over wat wel en niet mocht in de wereld van het verdriet. Youp van ’t Hek was boos op bekende Nederlanders die hun medeleven betuigden. Hoe haalden zij het in hun botte, maar vooral ledige harses! Of ze wel beseften dat de nabestaanden van de slachtoffers daar helemaal niet op zaten te wachten! De onverlaten!

Ik begreep hieruit dat Youp contact moest hebben gehad met de nabestaanden. Hij wist blijkbaar iets wat ik niet wist, hoe anders kon hij zo stellig het medeleven van een hele groep wegzetten? Ik begreep dat ik vanaf nu op mijn hoede moest zijn, met mijn verdriet.

Lees verder op HP/DeTijd...

zaterdag 21 juni 2014

Recensie Wildberichten in poëzietijdschrift Awater

Recensie Wildberichten in Awater zomernummer 2014
door Kiki Coumans

Echte sprookjes

Johanna Geels debuteerde in 2008 bij uitgeverij Atlas en werd na haar tweede bundel overgenomen door de piepjonge uitgeverij Marmer, die is opgericht in 2009, en pas sinds vorig jaar (vooral beginnende) dichters uitgeeft. Marmer is in korte tijd een succesvolle uitgeverij geworden, die commerciële uitgaven combineert met literair proza en poëzie, en die bespaart op overheadkosten door schrijvers te koppelen aan freelance redacteuren. Johanna Geels’debuutbundel werd meteen genomineerd voor de Buddingh’-prijs (en door recensenten aangemoedigd als winnaar), en ook de twee opvolgers zijn van goede kwaliteit. Jammer is dat ze in de pers vervolgens niet zoveel aandacht meer heeft gekregen. Criticus Rob Schouten schaarde Geels (een pseudoniem) onder ‘dansante dichteressen’ als Elma van Haren, Anne Vegter en Astrid lampe, waarbij hij opmerkte dat zij aardser en grijpbaarder schrijft. Geels’ werk is kleurrijk, maar dan zoals sprookjes kleurrijk zijn, speels maar ook een beetje unheimisch. In haar werk is vaak de tegenstelling tussen de veilige wereld van thuis en de boze buitenwereld te vinden- ook een typisch sprookjesthema. Geels’werk is levendig, maar niet luchtig, het is grappig zonder lollig te worden, en verrassend zonder behaagziek te zijn. Regelmatig kom je mooie beelden tegen, zoals: Zo meteen zijn de paden warm, glanzen de kevers als olievlekken in het zand’ of: ‘zie ik je gezicht voor me, als een zojuist geopend pretpark’, maar ze strooit er niet te pas en te onpas mee. De vaak laconieke toon is een manier om tegelijk licht en zwaar te kunnen zijn.
      Er komen veel mensen, dieren en natuuromgevingen voor in deze bundel, en de dichteres vermengt vaak levende en dode zaken: ‘Twee vergeelde vrouwen liggen op nummer negentien/ in een la en zingen met glans- en dansbenen/ liedjes van vroeger’. Ook heeft ze een handje van verrassende generalisaties, zoals: ‘snorharen liegen niet’ of: ‘de duivel komt altijd in fragmenten’.  Er is kortom veel over dit werk te zeggen, maar wat we ook over de dichteres moeten weten is:

      Ik draag negen gedichten voor en niemand
      weet dat ik van de tiende een hoedje heb
      gevouwen dat sindsdien altijd in mijn tas woont.

maandag 26 mei 2014

Uitslag wedstrijd: schrijf je eigen tamponmonoloog

Een bloederige week, dat was het. Na mijn oproep op HP/DeTijd: ‘Schrijf je eigen tamponmonoloog’ werd ik overspoeld met tamponverhalen/gedichten en één foto. Ze waren soms een beetje vies, vaak ontroerend, smeuïg, maar vooral heel eerlijk. Het was lastig om tot een keuze te komen maar met hulp van drie fanatieke lezers (samenstelling: twee vrouwen en één man) is het mij (ons) gelukt er drie te kiezen inclusief een bijdrage die een eervolle vermelding verdient. Gefeliciteerd allen!  (ter info: Ik heb nergens verbeteringen aangebracht of de opmaak veranderd)

De winnaar is: Danja Raven met haar verhaal: ‘Een heel apart gevoel vanbinnen’ Danja schreef  o.a voor Psychologie Magazine en blogt regelmatig over haar reiservaringen.

Over het winnende verhaal: Wij lieten ons niet misleiden door de titel die enigszins gedateerd aandoet en genoten van de vlotte, gedreven stijl waarin Danja onverbloemd en zeer beeldend haar bloederige (bad) trip uit de doeken doet. De toon van het verhaal paste ons inziens zeer wel bij het onderwerp. Danja, gefeliciteerd! Je ontvangt naast eeuwige roem binnenkort mijn dichtbundel Wildberichten en je verhaal zal geplaatst worden op mijn blog, HP/DeTijd online en Period!.

1. Danja Raven: 

Een heel apart gevoel vanbinnen 

Geen flauw idee hoe lang ik naar het wc-papiertje staarde voordat ik begreep wat er aan de hand was. Het stukje toiletpapier dat zojuist nog beschilderd leek met rode waterverf, veranderde langzaam in een bloederige klont papier mâché. Nog niet overtuigd dat dit me echt overkwam, spreidde ik mijn benen en duwde voorzichtig mijn wijs- en middelvinger naar binnen. Met de roodbruine substantie die bleef plakken onder mijn vingernagels was er geen ontkennen meer aan.

Nee, dit is geen situatieschets van mijn eerste menstruatie. Tot dat punt was ik er zelfs van overtuigd dat mijn maandelijks ongemak me nooit meer zo zou shockeren als tijdens die eerste horror ervaring, waarbij ik als dertienjarig meisje midden in de nacht getrakteerd werd op een bloederige onderbroek.

Ongeveer tien jaar later, bevond ik me echter in een gedeelde badkamer in een goedkoop guesthouse in Thailand. De wc-deur ingekerfd met songteksten van the Beatles en de donkere vloertegels bezaaid met vochtige floddertjes gerecycled toiletpapier. Aan de andere kant van de appeltjesgroene badkamermuur zat mijn kersverse Australische minnaar, met wie ik vlak daarvoor een gigantische pure joint rookte in mijn kamer.

Na een gezamenlijke lachkick waren we neergeploft op de bruine lakens van mijn eenpersoonsbed. Of liever gezegd ons eenpersoonsbed; een paar dagen eerder trok hij vanwege geldgebrek met backpack en al bij mij in. Hand in hand staarden we naar de vier muren van onze tijdelijke blokkendoos en iedere verstreken minuut verdwaalde ik dieper in een draaikolk van rood beton. Ik realiseerde me dat ik mijn hand niet meer wist te onderscheiden van de zijne. Dit was geen wiet, dit herkende ik als Salvia.

Salvia Divinorum is ‘een bewustzijnsveranderend kruid dat gebruikt kan worden voor hallucinogene doeleinden of in een genezingsritueel, waarbij men, afhankelijk van de inname, geheel in beslag kan worden genomen door innerlijke beleving en alle realiteits- of identiteitsgevoel tijdelijk verliest.’  

Oeps.

Anyhow - wel of geen Identiteit - ik moest plassen. Het koste me wat ingewikkeld denkwerk, maar vinger voor vinger lukte het me om zijn hand los te laten. En zo kwam het dat ik in het kleine kamertje naast hem, met opgetrokken wenkbrauwen staarde naar een donkerrood toiletpapiertje in mijn ene hand en naar het bloed onder de nagels van mijn andere hand, terwijl ik probeerde te bedenken wat ik normaal gesproken doe in een soortgelijke situatie.

Uiteindelijk drapeerde ik mijn lingerie op het plankje onder de spiegel boven de wastafel, liet mijn jurk over mijn billen zakken, waste mijn handen zonder te begrijpen waar het water eindigde en ik begon en volgde de energiebanen terug naar mijn kamer. Mijn tijdelijke lief zat in lotushouding op het bed. Zijn ogen gesloten. Blij toe, want ik wilde hem geen bloederige bad trip bezorgen. Het lukte me om een tampon te vinden tussen de vreemd uitziende instrumenten in mijn toilettas. Net op tijd wist ik me te herinneren dat het witte staafje zijn nut nog beter dient zonder plastic folietje.

...

Nummer 2 is Lise van Vugt geworden met haar verhaal: ‘Mijn eerste tampon’ Wij waren unaniem geroerd door dit relaas. Lise kreeg het voor elkaar ons mee te nemen in een verhaal dat stilistisch misschien niet helemaal perfect is, maar soms moet dat niet zaligmakend zijn. Dit is een ontwapenend verhaal dat blijft hangen.

2. Lise van Vugt: 

Mijn eerste tampon

Ik was twaalf jaar en sinds kort had ik de menstruatie. Mijn ouders bleven in de zomers altijd in Nederland met als gevolg dat we meestal koude en natte vakanties hadden. Dit jaar niet. Dit jaar mocht ik met een oom en tante van me, die zelf geen kinderen hadden, mee naar Spanje. Ik vond het fantastisch. We verbleven in een caravan op een camping aan de Costa Brava. Alles was fijn, totdat mijn menstruatie zich aankondigde. Nu was het niet meer mogelijk om afkoeling te zoeken in de zee. Ik zat op het strand onder een parasol en voelde me diep ellendig. Een bikinibroekje was natuurlijk ook niet mogelijk. Mijn tante vond het zo sneu voor me en besloot in de plaatselijke supermarkt een doosje tampons voor me te halen. Ik had nog nooit een tampon gezien, laat staan dat ik er een gebruikt had. Aandachtig lazen we de bijsluiter. We, omdat mijn tante zelf ook nog nooit een tampon van dichtbij had gezien. Met veel gestuntel heb ik er een ingebracht, maar het was pijnlijk. Mijn tante kwam tot de conclusie dat ze de verkeerde maat had gekocht. De Spaanse tekst op het doosje had ze niet begrepen. Deze maat tampons was meer voor de gevorderde gebruiker. “Geen paniek.”zei mijn tante. Ze pakte een schaar uit de lade en knipte de tampon doormidden. Ze bekeek het stukje goed en zei: “zo zal hij wel passen.” Vervolgens heb ik met veel moeite het overgebleven stukje ingebracht en tot mijn verbazing zat het prima. Ik had nergens last van en zou die middag heerlijk kunnen gaan zwemmen. Ze gezegd, zo gedaan. Na het zwemmen was het nodig de tampon te wisselen. Enigszins opgelucht dat “het ding”eruit mocht ging naar het toiletgebouw van de camping om het te verwijderen. Tot mijn schrik was er nergens een touwtje te voelen of te zien. Ik heb werkelijk een kwartier staan voelen en kijken, maar geen touwtje. Mijn tante had het verkeerde stukje van de afgeknipte tampon aan mij gegeven. Het stukje met het touwtje lag in de afvalbak. Vol schaamte heb ik mijn tante met veel moeite het stukje zonder touwtje uit mijn lichaam laten verwijderen. Ze is er zeker een half uur mee bezig geweest. Ik zal dit nooit meer vergeten. Wat gênant. Een paar maanden geleden is mijn tante gestorven. Men vroeg mij iets te vertellen wat ik me van haar herinnerde. Ik moest meteen aan het stukje zonder touwtje denken, maar besloot dit niet te vertellen. Het was te gênant om dit op een crematie te vertellen, maar het is een herinnering die ik altijd mee zal blijven dragen.

...

Op nummer drie staat Kate Schlingemann met haar gedicht Mijlpaal. Kate schreef een gedicht dat opviel door zijn frisheid. De toon, de opmaak en het originele einde hielden ons tot het laatst geboeid. Tip voor Kate: schrap de overbodige spreektaal die je af en toe gebruikt (voorbeeld strofe 1: laat staan dat jij het wel mocht horen) of verander het in ‘vreemdtaal, speeltaal’, wat niet hetzelfde is als onbegrijpelijke reuteltaal. Meer poëzie, bedoelen we eigenlijk te zeggen. Verken de randjes, de kieren, de lege ruimte onder-of-bovenin het huis. Daar leeft het. Wat? Precies. Dát.

3. Kate Schlingemann

Mijlpaal

toen je eindelijk begreep
waar wij zusjes over smoesden
nooit bedoeld voor broertjes oren
laat staan dat jij het wel mocht horen
heb je een besluit genomen

je kwam thuis
achter een doos
die je hoog hield
in je armen, trots

midden in de kamer zette je hem neer
nieuwsgierig als wij waren, pakten wij
scharen, messen, vingers scheurden
het karton van boven naar beneden open
we visten witte plastic zakken, prikten
onze nagels in de naden, haalden
alles open wat in onze hand en ogen
witte dikke watten leken, verrassing:

100 kilo maandverband! Jezus Pa!

achter je rug vandaan
toverde je ook nog een etuitje
de gordeltjes en clips daarin
moesten ouderwets tussen onze billen
helemaal naar voren, maar zoveel
details wilde je al niet meer horen

zodra het bloeden bij ons begon
gaf moeder ons een doos tampons
dat weekend, om mijlpaaldag te vieren
gaven wij een feest, en jij,
je was toch uitgenodigd, jij
bent niet geweest

(we plakten alle maandverbanden
tegen geluidsoverlast op de muur

van de garage en de schuur)

...

De eervolle vermelding gaat naar Marjon Zomer met ‘Warm’.  Wij vonden ‘Warm’ een goed geschreven verhaal met een degelijke opbouw, een mooie rustige toon en een onverwachte twist op het eind. Waarom dit verhaal niet bij de top 3 is geëindigd? Wij vonden het een beetje te vlak hier en daar. Tip voor Marjon: Laat die teugels af en toe vieren en vlieg als een hypomane geit door de bochten, girl! Daar zijn ze tenslotte voor. Die bochten dus.

3. Marjon Zomer

Warm

Er staan gele klompen op de mat. Bij ons komt iedereen achterom. Ze zijn van Geert.
Mijn moeder en hij zitten aan de keukentafel en lachen. De deuren van de bedstee staan open. Mijn moeder drukt ze dicht.
    'Vanochtend vergeten,' giechelt ze, en ze geeft Geert een knipoog.
    'Geef oom Geert eens een handje,' zegt mijn moeder.
    'Oom Geert?' vraag ik en ik duik weg. Op een haar na had ik een lebber te pakken. Mijn moeder is kwaad.
   'Oom Geert ja,' roept ze. 'En nou een handje geven!'
Ik ben bang voor Geert. Hij heeft lichtblauwe ogen, bruine tanden en hij kijkt eng. Langzaam loop ik naar de tafel. Ik steek mijn arm uit en zijn dikke vingers grijpen naar mijn hand.
   'Zo, Alida,' mompelt hij. Hij laat zijn ogen op mijn borst rusten. Hij kijkt te lang voor hij loslaat.
Ik vlucht naar mijn kamer. 's Avonds als we gaan eten is Geert weg.
Mijn moeder is nog steeds kwaad, ze gooit de borden op tafel. Luid rammelend komen ze langzaam tot stilstand.
  'Ik schaam me dood voor jou weet je dat? Raar kind dat je bent. Zo'n aardige man en moet je kijken hoe jij je weer aanstelt. Nee jongedame, zo waait de wind hier niet in huis. Als ik zeg dat je je nieuwe vader een  hand geeft dan doe je dat.'
   'Nie-nie-nieuwe vader?' stamel ik, en in mijn vel prikken duizend spelden. Mijn ogen prikken mee en ik knipper tegen de tranen. Mijn moeder smijt de pannen op tafel.
   'Zo'n hartelijke lieve man, en mevrouw staat het weer niet aan.' Ze negeert me en tijdens het eten en ook de rest van de avond is het ongewoon stil.
De volgende ochtend word ik wakker. Als ik naar de wc loop voel ik warm tussen mijn benen. Op het toilet schrik ik me dood. Allemaal bloed.
Met wc-papiertjes poets ik mijn kruis en de binnenkant van mijn benen en de toiletbril schoon. Ik vouw een dikke stapel toiletpapier voor in mijn onderbroek. Op mijn kamer sla ik de dekens van mijn bed terug; één grote rode vlek. Ik maak mijn bed op zoals als iedere andere ochtend. Tegen mijn moeder zeg ik er niks over.
Beneden kijk ik op het toilet in het kastje van de medicijnen of er maandverband ligt. Ik leg er één in mijn onderbroek, een andere prop ik in mijn zak.
's Middags als ik uit school kom zie ik de klompen van Geert staan.
Geel, met drie kruisjes erop.
Hij legt er katoenen damesverband in 'um de voetu woarm te holden'. 

...


vrijdag 16 mei 2014

Schrijf je eigen tamponmonoloog en win!

Vandaag schreef ik n.a.v Heleen van Royen's tamponselfies een tamponmonoloog op HP/DeTijd. Bij deze roep ik jullie, schrijftalenten op er zelf ook een te schrijven.

Heb jij een smeuïg, gênant, ontroerend menstruatieleed/vreugdeverhaal? Schrijf het zo goed mogelijk op in maximaal 500 woorden (gedicht, column, alles mag) en stuur het vóór zaterdag 24 mei 2014 naar: jcgeels@gmail.com. De beste drie plaats ik maandag 26 mei op mijn blog. De winnaar beloon ik met mijn nieuwste (gesigneerde) dichtbundel Wildberichten.

Mijn column op HP/DeTijd: 

De Tamponmonologen

Ik wou het al een jaar over de Beppy hebben maar durfde niet goed want ik was bang dat mijn lezers het een te onsmakelijk onderwerp zouden vinden. Tot ik woensdag bij DWDD Heleen van Royen haar tamponselfie zag.

Taboedoorbrekend
Ik ben geen fan van mevrouw Van Royen en broedde zelfs al een tijd op een venijnig stukje over haar megalomane selfies in het Letterkundig Museum, die m.i meer over Heleen zelf gaan dan over haar schrijverschap. Maar ineens zag ik het licht. Wat zij deed met die tamponfoto was eigenlijk best cool en taboedoorbrekend. Het deed me zelfs in de verte denken aan het werk van de door mij zeer geliefde kunstenares Ana Mendieta. Op Twitter brak de storm echter los. Men sprak er schande van. De heftigheid van de reacties verbaasde mij. Want waarom mogen vrouwen niet alles van zichzelf laten zien? Wie bepaalt wat wel en niet mag, wat smerig is of juist esthetisch? Zijn we dan na al die jaren vrouwenemancipatie de betutteling en schaamte nog steeds niet voorbij?

Taboes bestaan bij de gratie van bangelijke zwijgzaamheid
Blijkbaar niet. En misschien hebben wij dat voor een groot deel aan onszelf te wijten. Elke maand moffelen we de sporen van onze menstruatie heimelijk weg. We pleuren alles op Twitter en Facebook maar ons menstruatieleed delen we niet. Terwijl we in een vrouwenleven (zonder zwangerschappen) zo’n 480 keer ongesteldheid zijn. Dat zijn ongeveer 3400 dagen. Negen lange jaren dus! Tijd om eens wat bloederige tamponverhalen te delen, misschien? Taboes bestaan immers enkel bij de gratie van bangelijke zwijgzaamheid.

Okay. Ik begin.

Lees verder bij HP/DeTijd...

maandag 14 april 2014

Relnicht op de bank

Column voor HP/DeTijd 14-04:

Vorige week ging de bel. Ik houd niet van onaangekondigde visite en groene-stroomverkopers en deed mopperend open. Daar stond Sofie, een oudere, verre nicht, in het felle lentelicht.

Spuigaten
De eerste minuten keek Sofie minzaam zwijgend om zich heen en veegde enkele denkbeeldige kruimels van tafel. Daarna zuchtte ze diep en begon.
‘Johanna, kind, we moeten praten. Zo gaat het niet langer.’
Ik draaide onrustig op mijn plek. Wat ging er niet langer? Zou ze het gras in mijn tuin bedoelen? Dat moest nodig worden gemaaid. Sofie knikte meewarig.
‘Die columns, Johanna, die je schrijft. Werkelijk, het loopt de spuigaten uit. Je beledigt mensen, maakt ze boos, chagrijnig en dat moet maar eens afgelopen zijn.’
‘Afgelopen,’ stamelde ik verschrikt, ‘maar ik was net lekker op dreef!’

Lees verder op HP/DeTijd...

maandag 31 maart 2014

Geert bedankt! (hoe je ons volk in één klap met elkaar verbond)

Column voor HP/DeTijd 31-3:

Beste Geert, ik wist niet dat deze tijd nog eens zou komen, maar het moet me van het hart. Bedankt, jongen. Driewerf dank. Door jouw roep om minder Marokkanen heb je ervoor gezorgd dat er weer een sprankje eenheid te voelen is in dit land. Verbinding.

Schreef ik kort geleden nog dat Nederland een laf land was geworden, een land van buigend gras en laf lachende politici, in één klap werd een ander beeld zichtbaar. Verschoof het vlakke lieflijke poldermodeldecor een stukje en verscheen er iets wat ik lange tijd niet meer had gezien. Huizenhoge protestgolven denderden over onze vaderlandse gronden heen, een breed gedeelde verontwaardiging, woede, ontzetting en afkeer over de stuitende domheid van je toespraak. Ditmaal werd de afkeuring niet alleen door links Nederland gedragen, zelfs een deel van je eigen achterban nam beschaamd afstand van je woorden.

Lees hier verder op HP/DeTijd...

dinsdag 11 maart 2014

Voorbeeldvrouwen

Voor de opiniewebsite Joop schreef ik ter gelegenheid van vrouwendag een column over (mijn) voorbeeldvrouwen: Lees verder op Joop...

Waarom het boekenbal niet voor (gewone) schrijvers is

Traditiegetrouw wordt de Boekenweek geopend met het Boekenbal in de Stadsschouwburg Amsterdam. Vandaag, 7 maart, is het weer zover.

Ik ben nog nooit op Het Bal geweest. Logisch, ik ben geen uitgever, hoofdredacteur, pr-medewerker, eindredacteur, toiletjuffrouw, BN’er of HEB(B)S (Heul Erg Belangrijke (Bestseller) Schrijver). Ik ben gewoon een van de vele dichters in Nederland die weleens een bundel publiceren.


Voor HP/DeTijd schreef ik een column over het Boekenbal. Lees hier verder...

maandag 10 maart 2014

Kosmonauten, ochtendurine en oom Jung in een boot

Gisteravond had ik ineens ontiegelijke zin om een nieuwe familie te verzinnen, maar voor ik het wist dacht ik alweer aan kosmonauten in mijn tuin, de laatste goendroen en welke elektrische fiets het meest geschikt zou zijn voor mij mocht de oude het begeven. Die hééft het begeven, sprak een strenge stem in mij. O ja.

Toen ik het idee had opgevat een nieuwe familie te verzinnen, begon ik de oude gelijk te missen. Ik hoorde een koets aankomen en zag even later de gesoigneerde heer, die mijn vader moest worden, uitstappen. Hij leek een beetje op Freud. Hij had een broer bij zich, mijn oom dus. Nee, die leek niet op Jung. Dat zou al te voor de hand liggend zijn. Wacht, ik mag niet liegen. Het was Jung. De werkelijkheid is nu eenmaal vreemder dan je ooit bij elkaar kunt verzinnen. Oom Jung zwaaide hartelijk naar me. Johanna! Lang niet gezien! Mijn ogen vulden zich met tranen. Godverdomme, waar waren jullie al die tijd! En waar is mijn broer, mijn lang verloren gewaande broer? Vader en oom Jung keken me bezorgd aan. Hoezo, je hébt helemaal geen broer. Ja, jezus, toen had ik er gelijk geen zin meer in, stelletje spelbrekers.

Tellen 
Mijn dochter en haar vriendinnetje kwamen de kamer binnen en wilden met me rummikuppen. Ik had dat tien jaar en drie mannen terug voor het laatst gedaan. Niemand wist wat te doen. We besloten te beginnen met het tellen van de steentjes. Tellen is altijd goed. Stel, je zit op een boot. Op die boot zitten twee andere mensen. Jullie zijn op vakantie en moeten nog een week. Je irriteert je kapot aan die mensen. Het zijn dan ook hele irritante mensen. Ze zagen de hele dag door over Piet en Klaas en Jan die er tientallen tumoren en buitenechtelijke vrouwen op nahouden. Wat dan helpt is tellen. Zo kan ik nog dertig andere situaties verzinnen maar dat doe ik niet. Ik was aan de beurt. Ik moest 14 stenen pakken. Toen nog één en toen mocht ik twee beurten niets doen. Wie het snapt mag het zeggen.

Geluk
Eerder op de dag waren mijn dochter en ik in een winkel die ‘zolder’ heette. Daar kun je lang over nadenken maar dat deden we niet. Wij zijn heel goed in het accepteren van dingen. Bij ons thuis hangen slingers rustig een jaar of langer stof te vangen. Wij zijn ook types die een mosterdpotje als glas gebruiken zonder de moeite te nemen het mosterdetiket er af te weken. Kersensap, appelsap, ochtendurine, alles dobbert gemoedelijk jaar in jaar uit achter de Zaansche Molens. Terug naar de zolder. Wat wil je, vroeg ik. Iets met dieren, zei de dochter. Dus kochten wij een konijn met een kaars in zijn rug. Een pistool had ook gekund maar mijn dochter besloot dat we die voor mijn verjaardag moesten bewaren. Om oom Jung mee dood te schieten, riep ik verlekkerd, maar mijn dochter zei dat oom Jung niet bestond. En dat ze eindelijk wel eens een normale moeder wilde. En waar je die vandaan kon halen. Bij de N, riep ik opgewekt. Toen keek ze heel lang en treurig voor zich uit en kocht ik een armbandje voor haar waar ‘geluk’ op stond.


donderdag 6 maart 2014

Expositie Come to your senses

U bent van harte welkom op de opening van de expositie Come to your senses in Dock 5340 in 'sHertogenbosch op 14 maart om 16 uur.
Come to your senses is een duo expositie van tekenaars Kees van der Knaap en Femke Gerestein. De expositie is te zien tot en met 29 maart en is open op donderdag, vrijdag en zaterdag van 13 tot 17 uur en op afspraak. 



routebeschrijving in de Gruyterfabriek:
Neem ingang N aan de achterzijde van het gebouw (zie kaart), neem de trap naar de 2e verdieping, rechts is de ingang van DOCK 5340.
Of neem ingang H (zie kaart), neem de trap naar de 2e verdieping, ga rechtsaf, de eerste deur aan de linkerkant is DOCK 5340

Adres: De Gruyterfabriek
             stichting doklens, 5340
             Veemarktkade 8
             5222 AE ’s Hertogenbosch
             tel: 06 10751529


woensdag 26 februari 2014

Recensie Wildberichten:

('een formidabele bundel, zonder ook maar één zwak gedicht')

Johanna Geels - Wildberichten
Ik ben hier niet om wanhopig te zijn
Johanna Geels
Wildberichten
Uitgever: Marmer
Jaar: 2014
ISBN: 9789460681738
Prijs: € 12,50
64 blz.

Met toenemend plezier lezend in Wildberichten van Johanna Geels zocht ik een woord om de gedichten mee te typeren. Op blz. 26 vond ik ‘bravoure’, het gedicht ‘Polderhazen’ opent ermee. Gaandeweg noteerde ik meer steekwoorden: onderkoeld, afwerend, brutaal, illusieloos, maar ook betrokken en persoonlijk; realistisch, maar door allerlei onverwachte vertekeningen ook vaak bizar. Het werk lijkt niet op andere poëzie die ik ken. Geels heeft een originele stem.

Tegen het einde van de 48 gedichten tellende bundel staat een als zelfportret te lezen gedicht waarin die kwalificaties zo ongeveer samenkomen: 

Vang me dan

Ik kom hier niet om mooi te zijn
al draag ik de ketting van mijn oma
bloedkoraal en Joegaslavisch filigrein
loodzwaar om mijn nek.

[...]

Ik ben hier niet om naam te dragen, nu bijvoorbeeld
ben ik dichter met een haak door mijn lip
vannacht was ik pijpkoningin, vanavond
weer moeder met kapucijners in een pan.
(vang me dan)

Mijn haar groeit wild en groter, mijn lippen
mijn bloem roder, strakgetrokken huid
waar de haak door mijn wang prikt en het
laatste staartje nachtelijk zaad als over een bowlingbaan
langs mijn huig de diepe donkerte in glijdt als ik slik.
(ik wil ‘m vangen, kom terug mijn lief, kom terug)

Ik ben hier niet om wanhopig te zijn
sterk moet ik zijn, als visvrouwen in het zicht
van de haven, uitgebeten, tanig, leverrauw
ik draag godverdomme niet voor niks drie kinderen
op mijn nek, boet palingnetten met mijn tong
tussen de tanden.

Vanuit het open raam komt alweer nieuwe lente aan
met nog meer bloemen, kinderen, palingen en filigrein.
(ergens buiten loop jij zoekend rond)

Lees verder op  Meander...

vrijdag 7 februari 2014

Bundelpresentatie Wildberichten bij Nawijn en Polak, A'doorn

1 februari jongstleden werd de nieuwste dichtbundel van de Apeldoornse dichter Johanna Geels ‘Wildberichten’ (uitgeverij Marmer) gepresenteerd in poëziecentrum Perdu in Amsterdam.

Vrijdag 14 februari om 17.00 (her)presenteert Johanna voor de mensen in en rond Apeldoorn haar bundel Wildberichten bij boekhandel Nawijn-Polak. Dichter Mischa Andriessen, stadsdichter van A'doorn Hanz Mirck, oud stadsdichter Willem Bierman en Johanna Geels zelf zullen gedichten voordragen. De muziek wordt verzorgd door Sterre Nacca (zang) en Dani Nacca (gitaar).

U bent van harte welkom. 

zaterdag 1 februari 2014

Recensie Wildberichten

Beschermd gebied

Gezichten en gebaren
kleven aan mijn jas,
mijn haren.

Onder het onverharde pad
knaagt kabouter Nr.068 zachtjes
aan de randen van mijn geest.

In huis is alles rustig.
Buiten vreten de vossen
elkaar onafgebroken op

Dat de nieuwe bundel van Johanna Geels Wildberichten heet, is niet voor niets: zowel het wild als het wilde is gemakkelijk aan te treffen in het kreupelhout van haar gedichten. In bovenstaand gedicht bestaat het wild uit vossen die elkaar opvreten.

Die vossen zullen wel een metafoor zijn voor de gezichten en de gebaren uit de eerste strofe, waarvan de 'ik' zich niet kan losmaken. Buiten dreigt in ieder geval het gevaar. Je gaat de paden die je denkt te moeten gaan, maar ze zijn onverhard en eronder knagen de kabouters, die vreten aan je geest.

Lees verder op Bunt Blogt, van Teunis Bunt

vrijdag 17 januari 2014

Bundelpresentatie Peter Drehmanns en Johanna Geels

Voor iedereen (die het nog niet wist): 1 februari presenteren Peter Drehmanns en ik onze nieuwe poëziebundels in Perdu, Amsterdam. Er zijn nog een paar plaatsen beschikbaar en ik wil wel dat die zaal vol zit, lieve Leute! Ik ga niet voor niets mijn haar verven, nieuwe jurken kopen en op hoge hakken balanceren. Dus. Er zijn voordrachten van Onno kosters, Sasja Janssen, Koen Vergeer, Leo Hermens, Hanz Mirck, Han van der Vegt en Frouke Arns. O ja, en mijn kinderen doen twee liedjes. En dat allemaal voor niks! Nou ja zeg..

Info en reserveren:
 http://www.perdu.nl/agenda/639/boekpresentatie_%7C%7C_uitgeverij_marmer:_geelsdrehmanns.html