zaterdag 21 juni 2014

Recensie Wildberichten in poëzietijdschrift Awater

Recensie Wildberichten in Awater zomernummer 2014
door Kiki Coumans

Echte sprookjes

Johanna Geels debuteerde in 2008 bij uitgeverij Atlas en werd na haar tweede bundel overgenomen door de piepjonge uitgeverij Marmer, die is opgericht in 2009, en pas sinds vorig jaar (vooral beginnende) dichters uitgeeft. Marmer is in korte tijd een succesvolle uitgeverij geworden, die commerciële uitgaven combineert met literair proza en poëzie, en die bespaart op overheadkosten door schrijvers te koppelen aan freelance redacteuren. Johanna Geels’debuutbundel werd meteen genomineerd voor de Buddingh’-prijs (en door recensenten aangemoedigd als winnaar), en ook de twee opvolgers zijn van goede kwaliteit. Jammer is dat ze in de pers vervolgens niet zoveel aandacht meer heeft gekregen. Criticus Rob Schouten schaarde Geels (een pseudoniem) onder ‘dansante dichteressen’ als Elma van Haren, Anne Vegter en Astrid lampe, waarbij hij opmerkte dat zij aardser en grijpbaarder schrijft. Geels’ werk is kleurrijk, maar dan zoals sprookjes kleurrijk zijn, speels maar ook een beetje unheimisch. In haar werk is vaak de tegenstelling tussen de veilige wereld van thuis en de boze buitenwereld te vinden- ook een typisch sprookjesthema. Geels’werk is levendig, maar niet luchtig, het is grappig zonder lollig te worden, en verrassend zonder behaagziek te zijn. Regelmatig kom je mooie beelden tegen, zoals: Zo meteen zijn de paden warm, glanzen de kevers als olievlekken in het zand’ of: ‘zie ik je gezicht voor me, als een zojuist geopend pretpark’, maar ze strooit er niet te pas en te onpas mee. De vaak laconieke toon is een manier om tegelijk licht en zwaar te kunnen zijn.
      Er komen veel mensen, dieren en natuuromgevingen voor in deze bundel, en de dichteres vermengt vaak levende en dode zaken: ‘Twee vergeelde vrouwen liggen op nummer negentien/ in een la en zingen met glans- en dansbenen/ liedjes van vroeger’. Ook heeft ze een handje van verrassende generalisaties, zoals: ‘snorharen liegen niet’ of: ‘de duivel komt altijd in fragmenten’.  Er is kortom veel over dit werk te zeggen, maar wat we ook over de dichteres moeten weten is:

      Ik draag negen gedichten voor en niemand
      weet dat ik van de tiende een hoedje heb
      gevouwen dat sindsdien altijd in mijn tas woont.