dinsdag 9 september 2014

De poëzie heeft ballen, street credibility (en wijsheid) nodig

"Gestapelde verbazing over de wereld om je heen, of verveling alleen is niet genoeg."

Het stoort me al een tijd. Nee, ik begin te netjes. Ik moet het maar gewoon eens durven zeggen, dat lucht op. Ik val gelijk met de deur in huis, dan hebben we het gehad: 

Ik ben de flauwe, keurige, verantwoorde maniertjespoëzie spuugzat!

Vooral meisjes zijn er goed in. De jonge dichteressen. Het gedreutel, het verbaasde omhoog kijken, de kabouters, de ijle luchten, de voetstapjes in de sneeuw. De er-is-niks-aan-de-hand-poëzie. Hutselknutselpoëzie. Met om de zoveel zinnen een Bibelebontse berg of een absurde aandoening die doet vermoeden dat de dichteres haar gedichten schrijft met de medische encyclopedie op schoot. Wreveljeuk, krijg ik er van. Het is stomvervelend, makkelijk en saai. 

‘Maar jij schrijft ook over kabouters,’ zei laatst een dichter tegen mij. ‘Ja,’ antwoordde ik, ‘maar die zijn dood of liggen vloekend en genummerd onder de grond. Dat is toch een nuanceverschil.'

Hetzelfde geldt natuurlijk voor flauwe jongenspoëzie, al ligt het zwaartepunt daar meestal niet bij de gespeelde verbazing maar bij de geëxalteerde verveling. Deze dichter heeft zogenaamd alles al gezien, verbaast zich nergens meer over en weet het allemaal wel. Het is kut. Morgen is het waarschijnlijk nog kutter en gisteren was het ook al niks. Vaak worden de gedichten monotoon voorgedragen. Bij het lezen/aanhoren van dit soort poëzie moet ik nogal eens de neiging onderdrukken om de desbetreffende  dichter een tijdje op de kop te zetten en net zolang door elkaar te schudden tot de maniertjes vanzelf uit zijn hoofd vallen. Als een sneeuwbol die je omdraait en dat het dan ineens winter is. Zo’n ouderwets krakende winter zonder comfortabele doorzonwereld waarin je kunt schuilen achter je designradiator. 

Misschien hebben de meisjes en jongens van de flauwe poëzie gewoon nog niet zoveel meegemaakt, en dat geeft niks, maar ga dan eerst een paar jaar léven, lezen, oefenen in schrijven. Of ga wat anders doen. Gestapelde verbazing over de wereld om je heen, of verveling alléén is namelijk niet genoeg. Poëzie is een proces van langdurig botten en knotten, van destillatie, indikking, rijping, tot er schimmelculturen ontstaan. Nare luchtjes. Poëzie heeft tijd nodig om door te dringen tot de vuige kern, het smerige dat bij de randjes leeft, waar het kiert, broeit en schmiert. Zonder academische benadering, zonder compromissen. Poëzie hoort op straat. Waar alles kan worden gezegd. De wereld om ons heen is al vergeven van mensen, televisieprogramma’s en Facebook accounts die zich beter en mooier voordoen dan ze zijn. Een wereld waarin mode regeert, de waan van de dag, poses, glijgladde porno, social media en neptieten. Poëzie zou bij uitstek een medium kunnen zijn waar de rauwe werkelijkheid zijn grijnzende smoel laat zien. Niks geen beleefde mannen en vrouwen onder elkaar die met de pink omhoog hun brave en knap geconstrueerde versjes declameren. Goede poëzie wil vloeken en janken op een vuilnisbelt onder een bleke maan, schrijnen, bijten, ik zou bijna zeggen, een spiegel van de wereld zijn, als dat niet zo verdomde aanstellerig klonk.

Bottomline is dat ik de poëzie zonder ballen zat ben. Het gefleem, de zachte handschoentjes, het geschuifel in de gang. Het moest maar es gaan donderen, knetteren, gaan stomen in die letteren. Weg uit de gepoederde salons, hup, de straat op. Dwars door de drek. En als je eigen modderpoel niet diep of smerig genoeg is, ga je maar aan de rand van die van een ander zitten, zo eentje die meurt en afgeeft. Voor schrijven is lef vereist, niet bang zijn om vieze handen te maken, nooit bang zijn. 

En nee, ik noem geen namen, dat moeten recensenten maar doen. Ik bespeur enkel een tendens. Verder zou ik uitgevers willen oproepen zich niet alleen te focussen op jonge knappe jongens-en-meisjesdichters, maar ook op de meer gelauwerde, ervaren poëten. Ik vernam een tijd geleden van iemand uit 'het literaire wereldje' dat er sinds de crisis in boekenland nogal wat oudere en ervaren dichters uit poëziefondsen (van grote uitgevers) zijn geknikkerd omdat ze niet jong en hip genoeg zouden zijn, en dat lijkt me geen goede zaak. Laat de poëzie in godsnaam over aan dichters die daadwerkelijk wat te zeggen hebben, ongeacht hun leeftijd, geslacht of hipster credibility. Street credibility, levenswijsheid en boven alles kwaliteit. Dáár zou het om moeten gaan.