zaterdag 6 december 2014

De (bekende) dichter en zijn assistent

Vannacht droomde ik dat ik op een feest was. Ik weet dat ik nogal eens een stukje begin met ‘vannacht droomde ik’ maar ik droom nu eenmaal veel. Hele levens droom ik aan elkaar en sinds ik mij als kind voornam ze, net als Jung, te onthouden was/is er geen houden meer aan. Duizenden gedetailleerde dromen liggen in ver weg gelegen hoofdkamers nutteloos te zijn. Of ze moeten ooit nog eens van pas komen omdat na mijn dood blijkt dat het hiernamaals bestaat uit een selectie van je best gedroomde levens. In dat geval zit ik goed.

Er was dus een feest en de toiletten waren verstopt. Dat droom ik vaker. De dromenkenner zal nu opveren en hijgend vragen of ik ook wel eens droom dat ik naakt op een plein zit te plassen, maar daar moet ik ontkennend op antwoorden. Wel dat ik soms naakt in een bos lig, op een halfvergane dassenburcht die aangevreten wordt door miljoenen insecten die met hun hoofd op het hout lijken vastgeplakt, hun pootjes spartelend in de lucht, omdat hun hoofdjes eigenlijk dwergenhoofdjes zijn en daardoor te zwaar, of hun achterlijf te licht, dat kan ook. Zouden ze monstrueuze achterpoten hebben, zou er niets aan de hand zijn, maar ja, in dromen loopt alles onverwacht.

Zoals vannacht bijvoorbeeld. Op het feest waren veel bekende dichters en een dweilorkest. Het was stampend druk, de toiletten waren verstopt en ik was mijn schoenen al na een kwartier kwijt. Remco Campert zat in een stoel op het podium en droeg heel langzaam voor. Het was erg indrukwekkend. Het dweilorkest stond ongeduldig achter hem, te wachten tot ie klaar was. Dat vond ik nogal oneerbiedig. Toen kwam er een heer naar me toe en gaf me een hand. ‘Hallo,’zei ik. ‘Dag mevrouw Geels,’ zei de heer. De heer vertelde dat hij een soort van assistent was.‘Van wie?’ vroeg ik. ‘Van die meneer daar,’ antwoordde de heer, en wees een bekende dichter in het publiek aan. Ik knikte bewonderend. Dat had die bekende dichter goed voor elkaar. Ik wilde ook wel zo’n assistent. Maar de heer zei dat ik daar niet bekend genoeg voor was. Daar kon ik mij wel iets bij voorstellen. Als alle dichters met assistenten gaan rondlopen wordt het wel erg onoverzichtelijk. Er moet iets van een hiërarchie zijn, anders wordt het een rommeltje.

De bekende dichter wenkte mij vanuit een hoekje. Gelukkig was het geen sociale dichter. Dat ben ik zelf ook niet. Ja, ik kan heel goed doen alsof, maar daar prik je zo doorheen, hoor. Ik hou niet van sociale mannen. Voor je het weet heb je de hele dag drukte om je heen. Sociale mannen slepen ongevraagd van alles het huis in. Mensen, kinderen, bbq’s, honden, hobby’s, je moet er niet aan denken. Deze dichter had dat allemaal niet. We begonnen een goed gesprek. Hij vroeg wanneer ik voor moest dragen. Gelijk na Remco Campert, zei ik. De dichter pakte zijn mobiele telefoon en belde zijn assistent. Even later zag ik deze verwoed in discussie met de organisator. Toen Remco Campert klaar was betrad Tonnus Oosterhoff het podium. De bekende dichter kwam dicht tegen mij aan zitten.
Hij sloeg een arm om me heen, en nog een. Ik mompelde ergens vanuit zijn artistieke wollen trui dat ik bezet was, maar daar trok de dichter zich niets van aan, draaide mij om en klom op mijn rug. Toen voelde ik een paar klikjes en zat de dichter aan mij vast. Letterlijk. Met kleine, scherpe haakjes. Als een rugzakje hing hij aan mijn rug. Net toen ik moest plassen. De wc’s waren nog steeds verstopt en de deuren wilden niet op slot. De dichter op mijn rug mompelde dat dit symbool stond voor mijn onbeschaamdheid. Ik duwde hem wat omhoog zodat ik beter op de toiletpot kon gaan zitten en waarschuwde hem stil te zijn want ik moest een onbeschaamd lange plas. De dichter zette het op een jammeren en riep om zijn assistent. Die stond op het podium en zong uit volle borst mee met het dweilorkest.

Toen ik naar huis wilde kon dit niet want mijn auto bleek kapot, mijn fiets gestolen en de treinen reden niet meer. Gelukkig ging er wel een boot. Het was een mammoettanker vol drugs en criminelen, die speciaal voor mij een omweg zou maken. We koersten langzaam over de IJssel. Machtig was dat, ik kan niet anders zeggen. De boot was zo verschrikkelijk groot dat al het water van de rivier in de uiterwaarden terecht kwam. Dijken spoelden weg en er ontstonden diepe waterwielen in de grond. Ik stond op het dek en keek toe. Een drugscrimineel kwam naast me staan. Hij wilde wel es wat anders, zei hij. Al die cocaïne de hele dag ging ook vervelen. Hij trok de punt van zijn neus omhoog. Ik staarde een diep donker gat in. ‘Kijk,’ zei hij trots, ‘alles weg. Geen neusschot meer te zien.’ Ik vroeg of dat handig was en hij knikte enthousiast. En of dat handig was. Wist ik wel wat er allemaal in zo’n gat paste? De wereld godbetert! Het heelal! En of hij mijn assistent mocht worden. Ik knikte blij, ja leuk, gezellig ook, maar begon gelijk te twijfelen. Ik was niet bekend genoeg, men zou het opvatten als dat ik kapsones had.

‘Ach, je moet niet altijd zo tobben,’ sprak de drugscrimineel beslist. ‘Je moet eens wat meer schijt aan de dingen hebben.’ Zij neus begon te piepen. ‘Wat is dat?’ vroeg ik, en wees ernaar.‘Oh, dat zijn trillende snaren. Je weet wel, kwantummechanica enzo.’ De boot stopte met een schok. Door de klap kwam de helft van de cocaïne in de IJssel terecht. Net goed, dacht ik. De assistent knikte instemmend. Hij had namelijk besloten een assistent te worden die gedachten kon lezen. Op de dijk stonden mannen met schepnetten die de cocaïne uit het water visten en er de dijkgaten mee dichtten.
‘Kun je ook teleporteren?’ vroeg ik, want we waren in Deventer terecht gekomen, en daar moest ik niet zijn. Maar dat kon de nieuwe assistent niet.