vrijdag 27 maart 2015

Bericht voor de kauwgomjongen

Er staat een nieuwe lamp naast mijn bed. Met een kapje en zacht licht. Sindsdien ga ik vroeg naar bed en schrijf ik weer gedichten. Daar was ik namelijk tijdelijk mee gestopt, omdat ik druk ben met een autobiografische roman, maar blijkbaar gaan gedichten, als je ze maar lang genoeg negeert, vanzelf op zoek naar een nooduitgang en hebben ze die gevonden in een lamp. Deze gedichten zijn duidelijk anders dan anders. Ik heb er geen vat op. Ze komen en doen maar. Soms zitten er woorden tussen die helemaal niet kunnen. Waarom kozen ze mijn lamp? Ik weet wel waarom. Omdat hij op een thuishuis lijkt, dat godverdomde lampje met zijn functionele draden, weggedoken in dat zachtroze licht. Als een plek voor de hond om te blijven.

Nadat het rare gedicht zonder handvatten van vannacht zichzelf ‘klaar’ had verklaard, droomde ik over een stroomstoring. Niets deed het meer. Ik zat rechtop in bed en probeerde het lampje. Niks. Weg thuishuis, weg gedichten. Vanmorgen, voor ik met een kreukelkop en een cräcker aan mijn roman begon, las ik op internet dat er een stroomstoring was geweest. In het noorden. Maar ik woon helemaal niet in het noorden. Dit betekent dat mijn nieuwe lampje mij niet alleen rare handvatloze gedichten laat schrijven, maar ook dat hij mij paranormale gaven geeft. Ik zou nu een bureau kunnen beginnen. Voor al uw paranormale wensen. Maar eerst het gedicht van vannacht. Het is een rare. En heel lang. Ik weet zelf nog niet of ik hem mooi vind. Maar hij roept zo hard.

Bericht voor de kauwgomjongen

Rond af en warm ben ik
en hier houd ik de wacht
hier liggen alle geluiden
die ooit klonken
in mijn nagelriemen
vergroeid.

Hier word ik 's nachts opgetild
door de man met de speer die
het kind op zijn schouders
de verre verten laat zien
zijn voorouders en hun stem.

Hier heb ik een stem
bij elkaar gehouden door spieren
uitgerekt maar hard.

Zo hard zou ik nooit worden
weet je nog kauwgomjongen
met je piano je zolder en je caviaouders
weet je nog meisje van nummer negen
met je oranje simcavader
weet je nog meisje op nummer 321 met je psalmen
je gezangen
je (bijna) dode kop
met ogen die op commando ziektes wegbrandden.

Doezachtmeisje, doezacht
mensen houden niet van harde meisjesstemmen
dat weet je bij geboorte al
(commandokoor zingt:‘meisjesmeisje kan in stukjes, hang haar op de kop, 
sla dr’op, slahaaa dr’op’)
meisjesmeisje kan gevangen tussen blozende wangetjes
meisjesarmpjes, ronde meisjesoortjes
zoetzingen van de knikker op de trap
die rolt en tegen de muur tot stilstand tikt
als kinderschedeltjes op steen.
(Interviewer: doet dat pijn? Geïnterviewde: De verkleining doet pijn, nooit de steen)

Weet je hoe dat klinkt, kauwgomjongen?
waarschijnlijk niet, waarschijnlijk
wilden ze dat ik het wist.

Want hier heb ik een stem
al is de wereld gekrompen tot een bed
van 1.80 bij 2.00 meter
met een volwassen lamp ernaast
weet je hoe gelukkig mij dat maakt
simcavader met je 123 nooit geboren
jammerlijk verongelukte hamsterzonen
op sledes in de dode ruggengrond,
in de dode hertense winternacht?

Omdat het op een thuishuis lijkt
die godverdomde lamp met zijn functionele draden
twee kwartjes bij de kringloop en weggedoken
achter dat zachtroze licht
als een plek voor de hond om te blijven.

En zo stil als ik ter wereld kwam
zo snoeihard zal ik hem verlaten
met nagelriemen dik als kasteelmuren
smerig als varkenstroggen
de lamp in mijn hand
als was ik het Vrijheidsbeeld.