maandag 30 november 2015

Knorretje Snuf in Lampenland (of, de dag dat China mijn heksenhoedenverzameling overnam)

Er was een tijd dat ik op grote schaal heksenhoeden verzamelde. Niet van stof of antroposofisch vilt met gekrenkte flapranden, nee, lámpen. Zoals ze vroeger in woonkamers met zitkuilen van kurk hingen. Mijn verzameling was tot in alle uithoeken van de wereld bekend en iedereen die droomde van zacht of hard brandende heksenhoeden wist mij te vinden. 

Ik verdiende daar aardig wat geld mee, veel meer dan met schrijven bijvoorbeeld, maar de mensen wilden steeds meer heksenhoeden en na een tijdje raakten ze op. Hoeveel kringlopen en rommelmarkten ik ook afliep, de vraag werd alsmaar groter en het aanbod kleiner. Zodoende werd iedereen boos op mij. Waarom had ik niet genoeg heksenhoeden? Waarom had ik de zaak niet beter gepland? Ik was een heksenhoedenverkoper van niks. Gelukkig kreeg China lucht van de zaak en belde mij. ‘Ga jij maar lekker achter je raam zitten dromen, Johanna, over kabouter nummer 068 en wildroosters in het Mikadobos,’ zei China vriendelijk. ‘Wij nemen de boel wel over.’ Toen hingen ze op. De volgende dag stopte er een rood busje voor de deur. Een kleine meneer met een lampion op zijn hoofd trok al mijn heksenhoeden uit de schuur, propte ze in het busje en reed weg. Nooit meer iets gehoord. Van niemand niet, dus ik denk dat ik er uiteindelijk goed vanaf gekomen ben. Soms droom ik dat de heksenhoeden zijn beland bij een god die niet van scherpe randen houdt, en bij het zien van de metalen hoeden boos een spaak in het grote wereldwiel steekt zodat we allemaal 1111 uur stilstaan. Tot aan het uur van de clown, om precies te zijn. Waarna iedereen zijn heksenhoeden vergeet of weggooit in een van onze vele zwarte hoofdgaten, zoals je met biologisch afbreekbare gedachten doet, die kraken tijdens het schedelknarsen. Maar dat is gewoon maar een droom. Dus dat zegt uiteindelijk niets. 

Ik kwam hier allemaal op, omdat ik gisteren bij een kringloopwinkel een heksenhoed vond. Ik vroeg mij af hoe die was ontsnapt aan mij, aan China en aan de grote vraag. Een kringloopmedewerker vertelde mij dat de heksenhoed jarenlang omgekeerd aan zijn plafond had gehangen. ‘En wat de mensen niet zien,’ zei hij, ‘dat zien ze niet.’ Ik denk dat hij bedoelde te zeggen dat de mensen alleen zien wat ze zien. Niet de moeite nemen om ergens doorheen te kijken. ‘Precies, want als ze dat gedaan hadden,’ zei de kringloopmedewerker, ‘hadden ze geweten dat een omgekeerde heksenhoed precies hetzelfde is als een niet omgekeerde heksenhoed.’ Toen liep hij weg. Ik nam de heksenhoed mee en hing hem omgekeerd aan het plafond. Deed er een zachte lamp in. Het leek op een kunstding in de vorm van een bloem. Daar houd ik niet zo van, van kunstdingen die op bloemen lijken, maar in dit geval was het overmacht.

Mijn omgekeerde heksenhoed vangt ook veel stof, maar hem wegdoen lukt me niet. Ik heb daar over nagedacht, maar ben er nog niet over uit. Ik vermoed dat de lamp iets wil bewijzen. Iets dat ik nog niet weet. En dingen die je nog niet weet, of nog moet ontdekken, liggen vaak in de buurt van de irritatiegrens. Bij de lelijk gedeukte randen van de flaphoed, zeg maar. En ergens diep in mijn hart heb ik ook het prettige gevoel dat ik met die hoed nog een beetje in contact met China sta. Misschien bellen ze nog een keer. Nemen ze weer iets van me over, iets waar ik mee worstel. Iets anders dan heksenhoeden. Mijn verstoorde relatie met de voltallige wereldbevolking bijvoorbeeld.

Laatst droomde ik weer over de heksenhoedengod en China. Meneer K sliep naast mij en porde me wakker. Ik bleek heel hard te hebben gesnurkt. Niet dat meneer K hier last van had, sterker, hij vind mij heel lief als ik snurk, maar ditmaal ging het zo ontieglijk hard dat hij bang was dat ik er in zou blijven. Ik vertelde hem van het uur van de clown en de stilstaande wereld. De omgekeerde heksenhoeden waar niemand doorheen kijkt. Sindsdien noemt hij me ‘Knorretje Snuf in Lampenland’, en elke keer als hij dat zegt maakt mijn hart een huppel. Over heksenhoeden heb ik nooit meer gedroomd.


zaterdag 28 november 2015

Mooi werk

Er wordt veel kunst gemaakt. Als in véél. Dat is mooi en irritant tegelijk, want ik vind maar zelden iets goed. Vaak vind ik het te oppervlakkig, te gewild, te commercieel, te dit, te dat, te zus, te zo, kortom, ik ben een zeikerd. Maar toen zag ik werk van Har van der Put. En dat werk denderde met een rotvaart mijn hoofd binnen. En niet omdat het naar aandacht schreeuwt, nee, juist vanwege de ingetogen, desolate, eenzame sfeer die er omheen zweemt en die een beetje zeer doet als je ernaar kijkt, maar tegelijkertijd troost biedt. Zonder ooit plat te worden, of zich op te dringen. En als je dat kan, ben je een grote heej. Ik zou er nog uren rete-enthousiast over door kunnen gaan, want ik ben superfan, maar dat doe ik niet. Koek zelf maar: http://www.harvanderput.com/#!recent-paintings/ck2b

decay of modernism (Har van der Put)

vrijdag 20 november 2015

Bowie rules

En waar de Stones op hun oude dag als ingedroogde pruimpjes en brave fabrieksarbeiders hun saaie coupletjes en refreintjes opdreunen, Bob Dylan (hear this, Robert Zimmerman) met een stem als een ingestort zandkasteel de podia afstrompelt, komt meneer Bowie, Mr Coolness himself, hier, op zijn goddomme bijna 70e, retestrak met deze freaky shit aanzetten. Verontrustend mooi vind ik het, experimenteel, jazzy zelfs hier en daar, gedurfd atonaal, lyrisch dramatisch en met een stem die klinkt alsof ie nooit ouder werd dan Ziggy Stardust. Mijn kudoos van de dag, wat zeg ik, van de wéék, gaan naar mr Jones, hoor. En buigingen ook. Hele diepe.

Grappig detail: het begin van Blackstar lijkt behoorlijk veel op het begin van 'Mer Girl' van Madonna (Ray of Light)! Luister maar: https://www.youtube.com/watch?v=tuOprxsklmk



maandag 16 november 2015

Expo Kees van der Knaap en Barend van Hoek in Rotterdam

In de categorie De wereld is kut maar gelukkig zijn er ook nog mooie dingen: 
Expo Barend van Hoek (de wereld van meisjes in karton) en Kees van der Knaap (monumentaal grote tekeningen/schilderijen) in de Fenixloods te Rotterdam. Opening a.s zaterdag 21 november om 15.00 De toegang is vrij. Verder is er bier. En wijn. En troost. Heel veel troost.



donderdag 12 november 2015

Mannen, hobbels en foutcodes



Ik zit met Rick in mijn auto. Type zilveren kogel, sportmodelletje. Rick rijdt. ‘Pittig karretje,’ mompelt hij tevreden en duwt het gaspedaal nog eens extra in terwijl hij de auto recht op een drempel afstuurt. ‘Hou je vast,’ roept Rick, ‘komt –ieeee,’ en zjoef, heel eventjes vliegen we als heuse munitie door de lucht.

We zijn op zoek naar ‘de hobbel’, Rick en ik. Al weken voelt het alsof er een bult in mijn wiel zit, en omdat ik er zeker van wil zijn dat ik geen gevaar loop (kapotte aandrijfassen, schokdempers) ben ik bij mijn garage langsgegaan. Hoewel garage een groot woord is voor een schuur met wat kapotte auto’s erin. Toch zweer ik bij Rick. Rick maakt alles. Goedkoop en snel. Vorig jaar kwam ik met een kapotte auto, dankzij de ANWB-meneer die mij van de weg sleepte, bij een ‘echte’ garage terecht, met etalages en koffiecorners en daar heb ik nog steeds spijt van. Wekenlang duurde het voor ze er achterkwamen wat er mis was en het kostte minstens drie grote mensenribben om het euvel op te lossen. Als ik dit aan Rick vertel schudt hij zijn hoofd. ‘Je had zeker foutcode F met een P1805 melding?’ Ik knik. ‘En toen hebben ze zeker je hele koppeling vervangen?’ Ik knik. ‘En toen deed ie het zeker nóg niet en kreeg je foutcode L8900 en gingen ze je stuurkogel en remmen vervangen?’ Ik knik weer. Rick glimlacht. Die Easytronicssytemen hebben voor hem geen geheimen meer. Hij had dit in een paar dagen opgelost. Voor de helft van de helft van de helft. Samen met een mannetje in Almelo die gespecialiseerd is in auto’s als de mijne. ‘Kwestie van goed luisteren,’ weet Rick. ‘Je oor op de auto leggen.’

‘Je rijdt zeker veel de laatste tijd,’ constateert hij terwijl de wielen van mijn dieseltje gevaarlijk dicht langs een sloot gieren. ‘Hoe weet je dat?’ vraag ik verrast. ‘Ik voél dat,’ antwoordt Rick tevreden. ‘Je moet straks thuis wel even de olie aanvullen, hoor. Dat voel ik ook.’ Ik vraag me af wat Rick nog meer voelt en staar dromerig uit het raam, terwijl hij met 120 km per uur een eenzame fietser afsnijdt. De achterband maakt inmiddels een razend geluid. ‘Is dat nou ‘cuppen’?’ vraag ik. Rick kijkt me bewonderend aan. Dan vertelt hij over zijn eigen auto, een Volkwagen diesel, ook brede bandjes, sportmodelletje, net als die van mij. Hij laat hem me straks wel even zien, en verwachtingsvol peilt hij mijn blik. Ik probeer zo enthousiast mogelijk te kijken. ‘Fijn, Rick,’ roep ik blij. Als we na tien duivelse rondjes over het platteland heelhuids bij de garage zijn teruggekeerd, rijdt Rick me naar een blinkend geel VW-Golfje, type kanarie, dat woest scheef geparkeerd staat. ‘Dit is hem,’ meldt hij trots en zet mijn auto er zo strak naast dat ik alle butsjes in het metaal kan zien. Er hangt een foto van een lief kijkend meisje aan de achteruitkijkspiegel. Ze beweegt licht heen en weer, als in een ingetogen dansje. Deze auto mag dan van Rick zijn, zij bewoont en bewaakt het interieur. Ik draai mijn hoofd overdreven in alle standen en prijs de glanzende spoilers, de viperstripes die tot over het dak heenlopen.

Rick rijdt mijn karretje de brug op, gaat eronder staan en hengst met een stuk staal op mijn dragende delen. ‘Kom,' wenkt hij, en schijnt mij met een kooilamp bij terwijl ik de smeerkelder instap. Ik vind mezelf hier prima passen, met mijn zwarte enkellange jas en stoere tuigleren cowboylaarzen eronder. Alsof ik zo uit het asfalt kom gekropen. Urenlang zit ik elke week in deze auto en nooit zie ik de wereld eronder. De veren, de vastgekoekte moeren, de roest, de olie. Het ziet er allemaal zo kwetsbaar uit en inwendig huiver ik een beetje. ‘Hij houdt je wel, hoor,’ stelt Rick me gerust, alsof hij mijn gedachten kan lezen. ‘In dit karretje ben je veilig,’ en hij slaat zo hard op het staal dat ik van schrik achterover sla. Rick lacht uitbundig en rijdt mijn autootje weer van de brug af. Daarna geeft hij me het nummer van ene Sjonnie die in een split second deuken in velgen kan ontwaren waarna zijn beste vriend Stef ze er voor een prikkie uithaalt. ‘Zeg maar dat je van mij komt.’

Even ben ik jaloers. Ik wil ook een Sjonnie in de wereld van Rick zijn. Mijn oor op metaal leggen en in foutcodes mompelen. Ik hou van deze wereld vol mannen die in schuren dingen maken en verder niet lullen. Dat had ik vroeger al. Als mijn vader of opa mij meenamen naar hun ‘mannetjes’, al mijn sociale fobieën ten spijt. Die verdwijnen namelijk als sneeuw voor de zon zodra ik zo’n smeerkelder instap. Ik wilde niet voor niets als kind al automonteur worden. Sip kijk ik om me heen. Waarom moest ik nou zo nodig gaan ‘schrijven’. Me begeven in literaire hoofdwerelden, met hoofdmannetjes- en vrouwtjes die me altijd een beetje zuur en wantrouwend aankijken, alsof ik er toch nooit helemaal tussenpas, met mijn cowboylaarzen en volkse aard.

Dankbaar schud ik Rick de hand. In de auto bel ik Sjonnie. Als ik Rick zijn naam noem gilt ie het uit. Ik moet gelijk komen. De koffie staat klaar. Stef is er ook. Wat voor n type heb ik? Easytronic? Oh nee hè, foutcode F al eens gehad? Ja? Jezus heej, wie niet. Ik kom zeker voor de hobbel? Dan is hij mijn man. Ben ik er al bijna? Bij het industrieterrein gelijk links hè. Ik weet wel, bij die schroothoop. Hij gaat nu koffie zetten. Melk, suiker?