vrijdag 2 december 2016

Hoe Frenzie Parkie het EINDEBEGIN VAN DE WERELD ontdekte

Gebeurtenissen word je geacht in de hand te kunnen houden. Daar ben ik niet zo goed in. Zet mij midden in de nacht op een verlaten duin en er komt een meneer op mij af die zegt voor het Kaiser Wilhelm Instituut in Berlijn te werken en dat -ie heimelijk op zoek is naar een specifieke aardstraal die genoeg energie oplevert om een middelgroot continent mee van licht te voorzien. En dat die, stop mevrouw, ja dáár precies onder mijn voeten loopt. En dat ik niet mag bewegen tot hij terugkomt met een Kaiser Wilhelm delegatie die de straal gaat winnen, delven, of hoe noem je zoiets, waar ik vervolgens niets van geloof maar wat dan achteraf toch waar blijkt te zijn.

Ik zal een voorbeeld geven.

De dag dat ik Frenzie Parkie ontmoette was koud en lang. Hoe lang weet ik niet meer precies maar in ieder geval langer dan de meeste dagen van dat jaar die allen precies 23 uur en 3599 seconden duurden. Frenzie Parkie was een meisje van ongeveer acht jaar dat van pony’s hield. Ze was samen met haar broertje, ouders en heel veel anderen met een bootje uit een oorlog gevlucht. Je denkt nu misschien: er bestaan geen gevluchte ponymeisjes die Frenzie Parkie heten, maar ik heb er later nog twee gezien. Eentje in paardendisco Black Bjoetie aan de Bunderweg in Teuge en eentje dansend in een hoelarokje met raffiarandjes in een Boliviaans huis terwijl een mank kind op het dak zich een circus waande. ‘Er is geen uitgang, nergens een uitgang, nooit een uitgang,’ sprakzong het achter elkaar als een wekkeralarm. Dwingend ook wel een beetje. Sommige kinderen hebben daar een handje van. Deze ook. Zo van: ‘Kijk mij eens mank zijn op een willekeurig dak in Bolivia terwijl er een compleet circus in mij woont.’ Allemaal leuk en aardig, denk ik dan, maar ik heb een Mexicaanse schoondochter met een oma die leeuwen in de tuin houdt. Echte.

De dag dat ik het ponymeisje Frenzie Parkie ontmoette zat ik onder een terraskachel in Griekenland en zong: “Pierlala pierla dood pierlapier lala…”. Algauw werd het een hit. Alle gevluchte en aangespoelde kinderen en bejaarden zongen mee terwijl de boten tikkeriktik achter hun rug tegen de rotsen kapot sloegen. Gekleed in meters knisperende warmhoudfolie dartelde Frenzie Parkie geelblinkend als bladgoud onder de Griekse herfstzon over het terras, want meisjes blijven meisjes, ook zonder brood, droog huis of onderkomen. Ik dacht aan mijn  eigen huisje, waar het geluk tot in de splinters van de plinten zat, ik hoefde het alleen maar op te merken. Eruit te pulken. Ook dacht ik aan het liedje wat mijn overgrootopa vroeger vaak voor me zong: ‘Kun je dansen Johanna, laat zien wat je kan.’ Dan deed ik een dansje. Of niet. Gewoon, waar ik zin in had. Frenzie Parkie echter deed de hele dag dansjes daar op dat terras in Griekenland terwijl de mannen haar geld toegooiden. Vrouwen zie je eigenlijk nooit met geld gooien, of het moet ze expliciet worden opgedragen. Waarschijnlijk zien ze daar het nut niet van in. Of komt het niet in ze op. Vrouwen geven geld of houden het gewoon in hun zak. Nu ik erover nadenk, misschien is dat het probleem. Vrouwen bijvoorbeeld géven leven. Alles wat mannen doen steekt daar behoorlijk zwak bij af. Misschien nemen ze daarom levens. Uit nijd. Jaloezie.

Frenzie Parkie kreeg al snel door dat als ze ondeugend keek tijdens het dansen de mannen meer geld gooiden. Ook al was ze nog maar acht jaar en hield ze van pony’s. Het is trouwens niet dat ik een verschrikkelijke hekel aan mannen heb, hoor. Er zijn heus veel leuke in de wereld.

De ouders en broer van Frenzie Parkie wachtten de hele dag op het strand tot zij terugkwam met het bij elkaar gedanste geld en kochten daar dan brood van. Pretzels. Aspirines. In het strand zaten gaten waar toeristen hun mobiele telefoons in verstopten tijdens het zwemmen.  Een soort van zandkluizen dus. Althans, dat leek zo. Want de kluizen bleken tunnels met opgerolde wegenkaarten verstopt in alikruiken voor de kilometerslange ondergrondse snelwegenstelsels met borden aan de zijkant waar HIER en DAAR of EINDEBEGIN VAN DE WERELD op stond. Ik zag Frenzie Parkie vaak naar die gaten loeren. Dan keek ze voorzichtig lachend naar mij en wist dat ik hetzelfde dacht.

Ik heb haar wel eens gevraagd of ik haar slechts Frenzie mocht noemen. Zonder dat Parkie. Of andersom, want het was zo’n mondvol, maar dan werd ze furieus. Logisch. Als je veel bent kwijtgeraakt is de naam die men je bij geboorte gaf een heilig goed. Dat had ik moeten weten.

Even voor de statistieken. Er blijkt nog een Parkie te (hebben) bestaan. Een olifant om precies te zijn en onderdeel van een duo. Hans en Parkie kwamen in 1786 met een VOC-schip uit Ceylon aan in Nederland als cadeautje voor stadhouder Willem V die op het Loo een exotische mini-dierentuin hield. Hans (mannetje) en Parkie (vrouwtje) woonden in een speciaal gebouwde olifantenstal en veroberden elke dag 80 pond broodhompen, 12 vaten wijn en grote hoeveelheden groentesoep en rijst. Die wijn verklaart waarschijnlijk waarom er nogal wat vrolijke tekeningen van Hans en Parkie bestaan. Tekenaar, zoöloog en anatoom J.P. Houel tekende bijvoorbeeld hoe ze samen jolig door het paleisbos dartelden. Ook beeldde hij ze af in kussende en parende houdingen, alsof het mensen waren.
In 1795 vielen Franse troepen Nederland binnen. Willem V vluchtte naar Engeland en zijn bezit viel in handen van de Franse Republiek. De mini-dierentuin bevatte naast Hans en Parkie o.a een orang oetan die graag peterselie met een vorkje van een delftsblauw bordje at, giraffes, wat angolaschapen en Chinese zilverfazanten. Alle dieren moesten worden verhuisd naar Parijs. Hans en Parkie gingen ieder in hun eigen hok, bewapend met zes zware artilleriewielen scheep in Deventer. Na een turbulente reis kwamen ze aan in Jardin des Plantes, een klein Parijs’ park waar ze publiekelijk tentoongesteld werden als ‘volumineuze monsters en wonderen der intelligentie’. Ze trokken zoveel bezoekers dat een speciale suppoost de toestroom in goede banen moest leiden.

Parkie (die inmiddels door de Fransen was omgedoopt tot ‘Margeritue’) en Hans misten de weidsheid van het Loo, het gedartel door de Apeldoornse bossen en misschien ook wel hun dagelijkse vaten wijn. Ze kwijnden langzaam weg, aten minder, bewogen amper nog en uiteindelijk stierf Hans aan een longontsteking. Parkie was ontroostbaar en kreeg een kameel als metgezel, daarna een olifant uit Senegal (die ook overleed) en een uit Azïe. Toen Parkie stierf was ze vierendertig jaar oud.

Terug naar het ponymeisje.

Op een dag hing Frenzie Parkie’s foto aan alle bomen rondom het terras. Haar ouders en broer zaten huilend op het strand. Het terras was verlaten en niemand gooide meer met geld. De mensen vroegen aan mij of ik wist waar Frenzie Parkie was. Ja, knikte ik, dat weet ik wel. Iedereen keek opgelucht. Ik nam ze mee naar de gaten in het zand en wees. Daar. De holletjes hadden de grootte van een opgerold konijn en de mensen lachten me uit. ‘Verder graven,’ riep ik dan, terwijl ik tegen mijn hoofd tikte bij zoveel achterlijkheid. ‘Verder graven dan jullie neuzen lang zijn…’ Maar dat deed niemand natuurlijk.


vrijdag 25 november 2016

Vannacht droomde ik dat de mensheid alleen nog van tofu kon leven

Al het andere was vergiftigd of op. "Waarom" zeiden ze er niet bij. Ik vermoed iets met uitgeputte bronnen en teveel oude mensen. Ik heb niets tegen oude mensen. Oude mensen weten meer dan jonge, wat dan wel weer opgeheven wordt door het feit dat ze veel vergeten. Ik merk dat zelf al. Soms poets ik zomaar twee keer achter elkaar mijn tanden. Of laat het gas aanstaan. Eet rijstepap met basterdklonten uit een pannetje met bruine randen.Verzin codewoorden voor vergeten codewoorden. Leg sleutels onder niet-bestaande dakranden. En ik moet nog vijftig worden.

Die tofu groeide als kool. Achter bushokjes, in plantsoenen of op balkonnen. Maar vooral in mijn tuin. Of eigenlijk, nu ik er nog eens goed over nadenk, bijna alleen in mijn tuin. Aan elke tofuplantenstengel hing zo’n vierkant blok bleek in de zon te bungelen. Met netten erboven, want de vogels en slakken aten ook alleen nog maar tofu. Gefrituurd was het lekkerst.  Dan krulden ze om en werden fijn knapperig.

Ik was de enige op de wereld met een frituurpan. Dus kwam iedereen bij mij. Vanaf mijn deur slingerden lange rijen de wereld in. Als je van boven naar beneden keek was dat een machtig gezicht. Sommige rijen splitsten zich zodat het wortels leken in een grond. Haarvaatjes in een wang. De rijen werden zo lang dat de mensen achterin niet eens meer wisten waarom ze daar stonden. Overal ter wereld kon je aansluiten om pas na weken wachten en langzaam voortschuifelen erachter te komen dat je op weg was naar de gefrituurde tofu van JG.

Er zijn ook mensen die tofu tahoe noemen, maar daar ben ik niet zo voor. Tahoe klinkt als een geloof. En je kunt lang wachten of kort wachten, maar daar komt geheid ruzie van.


maandag 21 november 2016

Lepeldood

vandaag woon ik in een wastafel, waar ik met een oranje markeerstift
woorden op het porselein schrijf

als ik met mijn ogen knipper glijden ze naar het afvoerputje
er is zelden een woord dat niet door de gaatjes past

er zijn er die ik moet onderscheppen op straffe van eeuwige opsluiting      
gebaksdoos bijvoorbeeld

gebaksdoos is een woord als een grindtegel
konijnenpoffertje daarentegen glijdt zo fijn vanzelf 
langs het koude glazuur

sommige durf ik niet op te schrijven
woorden die mooi lijken maar waarachter je makkelijk blijft haken
zoals defibrilleerverpleegsters
meteorologische cholesteroluilen
lepeldood 



zondag 23 oktober 2016

De bromtollenfabrikant

Toen ik acht was speelde ik bromtol in een petticoat gemaakt van ijzerdraad en oude
panty’s. De schoolmeester van de vierde klas had sluik haar. Elke maandagochtend
na het psalm sloeg hij een jongen die Willem heette om zijn oren. Ook als hij niets deed.

Ik denk daaraan omdat ik op een opening ben waar een kunstenaarsechtpaar zingt
van drie naalden een hooiberg en een bromtollenfabrikant terwijl een man
met sluik haar mijn oor inkruipt en fluistert dat de poëzie van een ons beider bekende dichteres aanvoelt als een vol handtasje waarvan de sleutel zoek is.

Misschien bedoelt ie mij denk ik achter elkaar bedoelt ie mij. Ik vraag aan hem
of dat erg is maar mijn stem klinkt te schril en ik weet dat hij nu denkt dat ik zo’n
vrouw ben die al haar zinnen eindigt met ‘toch?’ terwijl zij aanstellerig door haar
pony strijkt. Voor de duidelijkheid, ik heb geen pony.

Ik vertel hem snel van de rode maandagoren, dat is een praktisch verhaal. Hij legt
een arm om mijn middel en vraagt naar mijn fantasieën. Ik zeg dat ik die niet heb,
waarop hij naar de bar loopt en een kroket in zijn mond propt.





zaterdag 17 september 2016

Het hoofd dat op een tuinslang danste

En terwijl on-Hollandse weermodellen manisch over de eerste septemberdagen vlogen was het hier weer spannend. Iemand in een ziekenhuis ver weg had na mijn zoveelste MRI dit jaar bedacht dat het myoom in mijn baarmoeder, dat maar groeit en groeit en groeit, tóch best kwaadaardig kon zijn. Nadat het eerder goedaardig was verklaard, maar ja, dat was meer dan een half jaar geleden, en in korte tijd, blablabla.

Het gezwel leek volgens een van mijn artsen op een hoofd en drukte op mijn bloedvaten. 'Stel je een tuinslang voor,' zei ze, 'zet de kraan wijdopen en ga erop staan. Dat gebeurt er in je buik als je staat of loopt.' Ik knikte, zo ging het precies. Al twee en een half jaar. Dus stond of liep ik niet veel meer. Het bloed stroomde al zo lang zo ijzerloos en traag door mijn aderen dat ik de tijd een beetje vergat, hier achter mijn raam. De wereld.

Soms verlangde ik naar een inwisselbaar uitzicht en heb zelfs overwogen er eentje uit te vinden, voor mensen die ook een gezwel in hun buik hadden met een bloedende tuinslang eronder, maar het hele plan bleef steken bij het prototype. Op de een of andere manier beviel die me zo erg dat de noodzaak van de verwisselbaarheid een beetje verviel.

Oncologen, radiologen, gynaecologen, allemaal lieve mensen en ik kende ze allemaal bij naam. Mijn telefoon ging 33 keer per dag. Zo sociaal was ik nooit. Als ik ’s nachts in bed alle gesprekken reproduceerde leek het alsof ze allemaal achterstevoren en in stukjes waren opgenomen. Zoals ik ooit in een gedicht schreef: ‘De duivel komt altijd in fragmenten’. Ik hoorde telkens mijn telefoon gaan. Ook als die niet ging. Of explosies in mijn hoofd, compleet met drukgolven, een oude handicap die besloten had terug te keren. Exploding Head Syndrome heet dat. Ik verzin het niet. Google maar op. Toen ik dat tegen een van de artsen zei stuurde deze een drugskoerier eropuit. Zodoende zag ik gistermiddag een vreemde meneer voor mijn deur staan met een petje op. Hij belde niet aan, keek eerst naar links, naar rechts en schoof daarna heel discreet een zak met een gele sticker erop door mijn voordeur. Heerlijk geslapen. Ik kan niet anders zeggen. Geen fragmenten, geen explosies. De wereld een lange uitgerekte lijn.

Het hoofd heeft inmiddels een diameter van 16,5 centimeter en groeit een centimeter per maand. Ik zie telkens een monstrueus geheel voor me, met afschrikwekkende ogen, monden en oren, maar iemand zei tegen mij dat dit een keuze was. Want ik kon natuurlijk ook gewoon denken dat het een heel mooi en lief hoofd was dat daar binnenin mij groeide. Een poppenhoofd.

Een week geleden kreeg ik het verlossende telefoontje. Het hoofd was waarschijnlijk toch goedaardig. Voor de zoveelste keer. Het zag er in ieder geval goed uit. Geen uitzaaiingsverschijnselen en al die enge shit. ‘U heeft een zeer schoon bekken’ zei de arts. Dat vond en vind ik zo mooi klinken. Soms spreek ik dat hardop uit en voel me helemaal zacht en fijn worden. ‘Toch,’ ging ze verder, ‘kunnen we pas helemaal zeker zijn na weefselonderzoek.’

Dus word ik aanstaande maandag geopereerd. Dan halen ze alles weg. Het hoofd en zijn buikhuis. Een hysterectomie heet dat. Ik weet nog niet wat ik daar van vind. Het klinkt nogal hysterisch. Ik weet alleen dat het moet. Ik ben een klein beetje bang, want zo’n ingreep is (in mijn specifieke geval) best risicovol, maar ondertussen ook opgelucht. Ik weet niet, ik heb aan één hoofd genoeg, denk ik. En ik word door een heel artsenelftal geopereerd, met interventieradiologen, gynaecologen, oncologen, allerlei allerhande assistenten, 33 zakken extra bloed en de aardige meneer van de ziekenhuispostkamer drukte mij op het hart dat hij tijdens de ingreep ook even een hoofd om de OK-deur zou steken. Dus dat komt allemaal goed. Het elftal heeft er in ieder geval het volste vertrouwen in.

Men verwacht dat over een half jaar mijn oude leven weer een aanvang zal nemen. Fietsen, wandelen, dansen op rare muziek zonder tuinslang en hoofd in een verder uitgestorven huiskamer om zeven uur ’s morgens, strakke jurkjes, heel veel strakke jurkjes met hoge hakken eronder. Op dat laatste verheug ik mij dus zeer. Jurkjes en hakken. Of gewoon, lekker ouderwets veel bloed hebben, met ijzer erin. Trappen op en af lopen zonder exploderende harten en hoofden.

Of ik verpleging nodig had, vroegen ze in het ziekenhuis, omdat ik alleen woon. Maar ik antwoordde dat meneer K mijn verpleger werd de komende weken. Meneer K is de beste verpleger die ik mij kan wensen. Als ik ziek of anderszins zielig ben borstelt hij minutenlang mijn haar in rustige lange slagen. Masseert mijn slapen of maakt grappen waar ik zo hard om moet lachen dat alle opgehoopte angstklonters uit mijn oren naar buiten schieten. Geregeld vind ik er eentje achter de boekenkast, in de mand van de kat.

Hij kan trouwens ook erg goed uitzichten tekenen. Al zal ik die straks niet meer nodig hebben.

Tekening Kees van der Knaap


zondag 26 juni 2016

Werelden uit elkaar laten vallen is makkelijk, ze bij elkaar houden is different koek (over Brexit en 9B potloden)

Vandaag ga ik op bezoek bij meneer K. Aangezien hij meestal aan het werk is, rijd ik naar zijn atelier. Het is er altijd licht en warm. Buiten, achter zijn hoge atelierramen woedt de wereld. Dat klinkt banaal, en dat is het ook.
In de auto, op weg naar Den Bosch duidt Geert Mak op radio 1 de Brexit. 'Het is een puist,' zegt hij, 'die open moest barsten.' Onomkeerbaar dus. Als een wetmatigheid. Ergens stelt me dat gerust. Wetmatige onomkeerbaarheid lijkt minder eng dan populistisch volkschagrijn, ook al zijn de effecten daarvan precies hetzelfde. It's all in the mind. 

Ondertussen donderen hagelstenen vuistgroot uit de lucht, slaan als granaten om me heen in en overstemmen Radio 1. We leven in een tijd dat het gevaar allang niet meer slechts om ons heen sluipt. Het komt nu ook van boven, in de vorm van klimaatsverandering. Het mooie is, we hebben het allemaal aan onszelf te danken. Geen boze dondergoden, gewoon eigen schuld dikke bult.

Vroeger, toen ik klein was en op zondag in de kerk zat, drukte ik tijdens de preek vaak ritmisch uit verveling mijn oren open-en-dicht. Datzelfde geluid komt nu, alleen scherper, vanaf mijn autodak. Poef, poef, poef. Zo moet het ongeveer klinken in de Chak Chak grot, de Zoroastrische tempel. Het verhaal wil dat een Sassasijnse prinses, die vluchtte voor de invasie van de Arabieren en geen water bij zich had, uit wanhoop een stok tegen de rots aan gooide. Sindsdien drupt er continue water uit het steen. Chak, chak, chak.

Goede gedachten, goede woorden, goede daden, sprak de profeet Zarathoestra (Zoroaster) 1200 jaar voor Christus vanuit de filosofie om tot het ‘goede’ te komen. Door jezelf te richten op je innerlijke goedheid volgen de woorden en daden immers vanzelf. Dat klinkt makkelijk, en misschien is dat het ook wel.

Bij aankomst in het atelier is het stil. Op meneer K na, die met een mesje in drie bewegingen zijn potloden scherp slijpt. Chak, chak, chak. 9B. Het zachtste potlood. Vóór hem een kistje met stompjes, achter hem ontstaat een lucht van vijf bij anderhalve meter. Hele werelden tovert hij bij elkaar, met diepzwarte grafiethanden. Handen die hij -uit voorzorg- ver bij me vandaan houdt als ik binnenkom en me tegen hem opkrul, mijn wangen, kin en mond verlangend in zijn hals begraaf. In warm kloppende halzen en getekende luchten kun je makkelijk verdwijnen. In werelden niet. Die vormen het keiharde frame voor alles wat bestaat, met randen waar je vanaf kunt vallen, grenzen om tegenaan te botsen. 

In werelden waar grote hoeveelheden luchten, wangen, kinnen en monden samenleven is denkelijk een bepaalde voorzichtigheid geboden. Bewustzijn. Inlevingsvermogen. Een eeuwig polderen misschien zelfs wel. Hoe saai dat ook is. Nooit gedacht trouwens dat ik dit nog eens zou zeggen. Maar misschien is er geen keuze. Van alle (in de grond) falende politieke systemen is democratie waarschijnlijk de meest te pruimen soort. Ondanks de traagheid, klonterigheid en de verdeeldheid die het soms veroorzaakt..

Terug naar Den Bosch, naar het atelier in de oude fabriek aan het water. Dag en nacht staat meneer K hier aan zijn werelden te werken. Als een boer op zijn akker, zoals hij het zelf zegt. Terwijl ik honderd kilometer verderop zit te schrijven. Ook dat stelt gerust. Onze werelden lijken op elkaar, als magnetische cirkels in cirkels die in-en-om elkaar heen draaien. Waarschijnlijk zoek je dat onbewust toch op, de vertrouwdheid van een thuiskomen in de ander of een omgeving, iets waar je, naarmate je ouder wordt, steeds meer naar gaat verlangen. Het is wat dat betreft niet zo gek dat de meeste Brexitstemmers ouderen zijn. Een groep die gedurende hun lange leven al zoveel verloren heeft. Op een dag is daar de rek uit. En dan wil je simpelweg terug naar hoe het was. Naar huis. Toen je nog iets van controle over je leven leek te hebben.

Als je wil dat mensen bij je blijven moet je goed voor ze zorgen. Ze redenen geven om te blijven. Dat geldt voor bedrijven, gezinnen, relaties, geloofsgemeenschappen, en ook voor Europa. Werelden uit elkaar laten vallen is makkelijk. Ze bij elkaar houden is different koek.


woensdag 8 juni 2016

Wat een tuin ziet als hij slaapt II

Een tuin ziet er in de nacht in principe hetzelfde uit als overdag. Misschien krullen de boomblaadjes zich bij de randen iets om als de schemer valt, sluiten de bloemkelken zich, maar daar heb je het wel mee gehad. Wat geworteld is blijft geworteld. Wat dood is dood. Toch, als ik ’s nachts het gordijn van mijn slaapkamerraam een stukje open schuif, moet ik mezelf moed inpraten omdat ik bijna niet verder durf te kijken. Daar beneden ligt mijn tuin, waar ik bij warm weer een boek lees, mijn kat Snoet afwisselend Herman, Stumper of Roeland noem, waar de druivenstruik zoekend om zich heen graait en lege bloempotten al een halve lente staan te wachten op vulling.

’s Nachts verandert die tuin in een voodoojungle, een heksenwalhalla. Want iedereen weet dat als de wereld zich keert, zich terugtrekt voor de slaap, dat dit het moment is dat de geesten komen. De onderwereld zich roert. Met zijn eigen wetten, waar ik soms de codes van meen te kennen, maar wat in werkelijkheid nooit het geval blijkt. Nou, misschien ken ik ze op dat specifieke moment wel, maar de nacht heeft er een handje van hem juist dán razendsnel te transformeren in een compleet andere codering. Die, na ontcijfering, op zijn beurt ook weer verandert. Noem je dat een onontkoombaarheid? Een ziekelijke speling van het lot? Hoe dan ook, het is beangstigend. Want ik hecht aan controle. Ik heb niets dan dat. Iedereen heeft niets dan dat. Niemand heeft iets anders dan dat. Of je moet een zenmeester op een berg zijn. Hoewel die volgens mij juist barsten van de controle, al is het op een meer heimelijke manier. Zij verstoppen het zwart in het wit. Zoals illusionisten doen. Met het juiste gebruik van licht en donker kun je iedereen foppen. Misschien zijn zenmeesters niets dan goede illusionisten. Alleen dan zonder weelderig haar, schaars geklede assistentes en windmachines. Maar ik dwaal af.

Ik ben dus bang voor mijn tuin in de nacht. En ik ben niet de enige. Laatst zat er een jong vogeltje in een boom achter mijn huis, duidelijk alleen en verlaten. Ergens overdag waren zijn ouders er nog geweest, had hij zijn vliegoefeningen gedaan onder hun wakend oog. Tot er een moment kwam dat ze eten gingen halen, en niet meer terugkwamen. Ongerust zag het vogeltje de dag in de nacht verdwijnen, en wist uiteindelijk: ik ben alleen. En piepte hij overdag nog wat klaaglijk voor zich uit, verongelijkt bijna, ’s nachts klonk het hard en paniekerig. Twee dagen en nachten zat hij daar. Toen werd het stil. Waarschijnlijk is hij dood uit zijn boom gelazerd, ik weet het niet. Heeft een kat er een einde aan gemaakt. Katten zijn goed in de nacht. Die snappen hem. Is de nacht eigenlijk mannelijk? Bestaat er een commissie van wijze mensen die geslachten koppelen aan woorden? Houden die ergens kantoor? Of verloopt dat proces organisch, zoals stenen slijten in een rivier. De een rond, de ander hoekig. Nu zie ik ineens het woord ‘auto’ op straat lopen, een beetje in elkaar gedoken, een gigantische piemel aan een touwtje om het dwarsstreepje van de ‘t’ gewikkeld, als een last waar hij vanaf wil. Of de zon. Slechts drie letters om mee rond te sjokken, maar altijd met die onafwendbare kut rond haar nek. Misschien voelen veel dingen in het leven daarom zo ‘onvrij’. Omdat het meeste vanaf het begin bepaald is. Geslacht, afkomst, IQ, talent. Hoe mannen en vrouwen zich tot elkaar verhouden. Die uitgesleten cirkels als tredmolens waar we allemaal als kreupele paarden in rondsjokken. Of klinkt dat te depressief. Te puberaal.

Mijn kat verandert ook door de nacht. Maar dan gunstig. Overdag is hij de grootste angsthaas op aarde, durft amper de tuin in en zit urenlang bevend voor het kattenluikje, moed te verzamelen. Als het donker wordt echter, stapt -ie doodgemoedereerd naar buiten. Schieten zijn laserogen door het struikgewas heen en sluipt hij met zijn buik door het gras. Niets kun je hem dan maken. Zodra het eerste lichtstreepje door de bladeren piept is het over met de pret. Verandert hij in een psychiatrisch patiënt en rent terug naar binnen. Vorig jaar was hij op zijn gekst. Kroop onder een kast en wilde er niet meer onder vandaan komen. De dierenarts zei door de telefoon dat ik Snoet die middag mocht komen brengen, dan zou hij hem ‘resetten’. Stumper kreeg een pil, stapte bij thuiskomst koelbloedig uit zijn reismand en verdween direct naar buiten. Klom op de schuur, een boom in, struinde door de buurt, kortom, deed wat normale katten doen. Misschien was hij het zelfs wel even. Roeland, de kat die hij van zichzelf nooit mocht zijn. Ik weet niet wat de dierenarts hem gegeven had. Kattencoke vermoed ik. Het was in ieder geval niet goedkoop. Vroeger betaalde je een geeltje voor een kwartje wit. Dit lag ongeveer in dezelfde orde. Maar dan omgerekend.

Ergens op internet las ik dat Jeroen Brouwers van mening is dat als je meer dan drie keer het woord ‘maar’ op één bladzijde gebruikt, je jezelf geen schrijver mag noemen. De eerste keer dat ik bij mijn voormalige uitgever (Atlas) werd ontboden kreeg ik een plastic tasje met boeken uit het fonds mee. Dat tasje was diezelfde ochtend, samen met zijn eigenaar, uit het huis van Jeroen Brouwers vertrokken en had de hele reis lang zijn nieuwste manuscript gedragen. Ik weet niet welke, we spreken over 2007, en ik ben geen Brouwerskenner. Jeroens tasje heeft jarenlang in mijn werkkamer gehangen. Nee, dat lieg ik, ik heb helemaal geen werkkamer. Ik schrijf al jaren gewoon op de bank met een laptop op schoot. Het tasje hing dan ook boven de bank. Met mijn eerste poëziemanuscript erin, dat later genomineerd werd voor de C.Buddingh’-prijs. Ik mocht graag denken dat het tasje geluk bracht. Op een dag ging ik de boel verbouwen en was het verdwenen.

Ik heb ook een periode gekend waarin ik van alles vond. Ruim twee jaar lang schreef ik wekelijks een column voor HP/DeTijd. Dit was tevens de tijd waarin ik regelmatig mails ontving van mensen die schreven dat ik ernstig ziek of lang en secuur gemarteld moest worden. Ik was op een gegeven moment zo druk met overal iets van vinden dat ik bijna niet meer aan ‘gewoon’ schrijven toekwam. Het vergt bepaalde kwaliteiten om opinies uit te dragen. Waarschijnlijk miste ik die. Opinies zijn ook zwaarder dan fantasieën. Qua soortelijk gewicht. En ze willen altijd bovenop liggen. Een dodelijke combinatie. Ik voelde me dan ook met de dag ongelukkiger worden. Tot mijn dochter een keer op licht cynische toon tegen mij zei: ‘Je hoeft niet altijd ergens iets van te vinden hoor, mam.’ Ergens ging een fel licht aan. Daarna lukte het niet goed meer. Het onderhouden van meningen. Elke keer als ik het probeerde zag ik dat halfspottende gezicht van mijn dochter weer voor me. Nu lag het op het laatst ook wel een beetje aan HP/DeTijd, hoor. In eerste instantie schreef ik vooral rare columns voor ze. Met dingen erin die niet konden bestaan. Ik had namelijk een redacteur die dat leuk vond. En mij de vrije hand gaf. Na een jaar of twee kwam er een ander. Aardige jongen hoor, geen kwaad woord, maar hij vond dat rare gedoe niks. Ik moest relevante stukjes schrijven, die ik dan eerst bij hem moest ‘pitchen’. Het probleem was, ik had nog nooit iets gepitcht. Ik ging gewoon zitten, keek uit het raam, dan naar mijn laptop, en bewoog mijn vingers over de toetsen. Vanzelf. Over onderwerpen dacht ik nooit na. Laat staan relevante.

Toch wilde ik het graag proberen. Elke week stuurde ik mijn pogingen op, die ik bijna altijd terugkreeg. Met kanttekeningen erbij. Dat het relevanter moest. Nog relevanter. Véél relevanter. Terwijl ik mijzelf al zo verschrikkelijk relevant vond. Dat was dus een misvatting. Ik bleek totaal relevantloos. Op een gegeven moment begon het in huis te ritselen, alsof er kevers in het behang woonden die aan het papier knaagden, heen en weer over de muren renden. De dag dat ik ophield met relevant proberen te zijn hield het geritsel ook op. Volgens mij zegt dat genoeg.

Niet relevante stukjes passen mij beter. Zoals ik dobberen in halfgare bootjes op een verlaten bergmeer leuker vind dan georganiseerde Moezelcruises met entertainment aan boord. Door gaten en kieren komt veel goeds. Slechts. In ieder geval onverwachts. En dan maar hozen.


dinsdag 31 mei 2016

Mosselmannen

Ik zou kunnen vertellen over de nare gevolgen van overmatig gebruik. Of hoe het kon gebeuren dat vijfendertig mensen onlangs tijdens een voetbalwedstrijd in Duitsland tegelijk door de bliksem werden geraakt. En dat ik tijdens het lezen van dat nieuws dacht dat God eigenlijk de grootste terrorist op aarde was. Over de mannen in mijn leven, die uiteindelijk bijna allemaal vreemd gingen, en dat ik soms geneigd ben te denken dat dit aan mij ligt. De wereldklok die exact tien centimeter van het midden op mijn schuurdak staat en elke milliseconde opnieuw onvermoeibaar  jouw en mijn plaats in het universum berekend. Een zoemend geluid afgeeft dat alleen wordt waargenomen door dieren en kinderen. Waarom grote mannen op kleine BMX-fietsen in het bos op zondagochtend altijd zo eenzaam lijken. Maar misschien kan ik beter vertellen over de dag dat de moezelmannen kwamen.

Die moezelmannen waren natuurlijk gewoon mosselmannen. Zoals in het liedje. Gele plastic pakken droegen ze, met bruine strepen als hommels. Ze roken naar het strand bij Sassnitz, die grauwe Duitse strook langs de Oostzee waar campers met bejaarden hun laatste dagen tellen op houten telramen die ze voor hun polycarbonaat-plexiglazen ramen zetten. Die bejaarden zie je verder niet, ze zitten binnen en doen bejaardendingen. Rummicubben, patiencen, elkaar kapot irriteren, wachten op wie het eerste doodgaat, weet ik het. Ze ruiken naar gekookte aardappelen, een geur die in een vaste straal van honderd meter om hun camper heen hangt. Daar kunnen ze overigens niets aan doen, laat dat voorop staan. Neem die geur in gedachten, vermeng het met de zoutvissige lucht van die smoezelige zandstrook langs de Oostzee en je hebt iets dat in de buurt komt van wat ik bedoel. Van hoe de moezelmannen roken.

Ze belden aan en ik deed open. Stom natuurlijk, maar het is gebeurd. Ze kwamen een voor een binnen, veegden hun voeten in hetzelfde ritme, lieten ongezien DNA achter en deden het zodoende voorkomen alsof het nette moezelmannen waren. Wat achteraf gezien belachelijk was, maar ja. Ze liepen niet eens de kamer binnen of gingen netjes in de gang staan wachten, zoals normale mensen doen als ze ergens voor het eerst op visite komen, maar stampten gelijk de trap op naar boven. Naar de badkamer. Deden daar al hun kleren uit, gooiden ze woest van zich af en riepen dat ik hun van dode mosselenlucht doortrokken boeltje moest wassen. Incluis moezelsokken. En snel een beetje. Tijdens het uittrekken van hun kleren vielen er tientallen mosselen op de grond. Ze leken uit alle zakken, naden en zomen te komen. Het gaf een tikkend geluid. Licht en helder. Ik wist niet wat te doen. Mijn hele badkamer was gevuld met mannen en mosselen. Die laatsten lagen overal, als venijnige visjes. Sommigen nog dicht, maar de meesten wijdopen, schijnbaar naar adem happend. De mosselmannen hadden gehavende lijven. Alsof ze elke nacht naakt tussen de mossels sliepen. Eentje vroeg of ik zijn vrouw wilde worden, maar de rest lachte hem uit. Ik was toch onvoldoende toegerust voor zo’n bestaan, dat zag hij toch verdomme zelf ook wel. Keek hij wel goed uit zijn doppen, miljaar! Want als hij dat gedaan had, zou hij gezien hebben dat mijn handen veel te poezelig waren. Een zak losse botjes, riepen ze. Totaal ongeschikt voor het breken van harde scherpe schalen, de wil van de mossel. ‘Kun je noten kraken?’ schreeuwde er een balorig. Ik schudde mijn hoofd, nee, in noten kraken was ik nooit bijzonder goed. Hazelnoten ging nog wel, maar paranoten bijvoorbeeld gaven veel problemen.

De mosselmannen hadden grote voeten. Waarschijnlijk om stevig mee op de bodem van de zee te staan, of om de branding mee te trotseren, het zuigen der muien, het golfrazen. Ik vroeg of ze ook mossels op de Oostzee vingen maar ze lachten me uit. De Oostzee, daar wilden ze nog niet dood gevonden worden. Eentje ging omstandig uitleggen hoe de camperbejaarden daar roken maar ik wimpelde hem af. Oud nieuws. Het zag er ondertussen niet naar uit dat de moezelmannen hun vuile kleren weer gingen aantrekken dus gooide ik ze maar in de was, zette de klok op zestig graden en smeet er een halve fles Ocean Lavendel bij. Lavendel groeit natuurlijk helemaal niet in de ocean, maar in zo’n afgesloten kunststof flessenwereld kan alles. Ik was eens op een eindexamententoonstelling van de Rietveld academie. Een van de geslaagden had een kleine kamer ingericht met wel twintig koffiezetapparaten erin. De junizon vloog manisch tegen de ramen op en het was er niet te harden, zo heet. Dit kwam ook door de koffiezetapparaten, die continue aanstonden. Daar was op zichzelf natuurlijk niet zoveel kunstigs aan. Daar moest iets bij. Iets vreemds, liefst. Vies. Zodoende had de kunstenaar in plaats van water, urine in de koffiezetapparatenreservoirs gedaan. De urine circuleerde daar dag en nacht doorheen. In combinatie met de hitte gaf dat een stank die dodelijk hard in je gezicht klapte wanneer je de ruimte binnenkwam. Van Lavendel Ocean had de kunstenaar overduidelijk nooit gehoord.

Een beetje was duurt minstens anderhalf uur. Wat moest ik met de mannen aanvangen in al die tijd? Ik had ze nog niet geteld, maar het waren er veel, en ik wilde ze niet met hun ongewassen mosselkonten beneden op mijn nieuwe bankstel hebben. De was draaide en zoemde gezellig. Het viel me op hoe snel je went aan stinkende naakte mosselmannen in je badkamer. Ik was ook helemaal niet bang dat ze ongepaste dingen met me wilden doen. Zo keken ze niet uit hun ogen. Daarbij bungelden hun mosselgeslachten vrij slap onder hun buik, daar stak weinig gevaar in. Ik ben ook zelden bang voor mannen, dat scheelt misschien. Ik kan behoorlijk stoere verhalen vertellen over mannen en heikele situaties, met mijzelf in een glansrol. Over die keer dat ik beschoten werd in een kraakpand, bijvoorbeeld, de kogel vlak langs mijn oor fluitte en ik doodkalm bleef zitten. Of dat ik in een trein vol dolgedraaide voetbalsupporters belandde die zwaaiend met losgetrokken treinmeubilair boven hun hoofd op me afstormden, en dat ik rustig bleef zitten, een jointje draaide, vroeg of ze een hijsje wilden. Waarna ze lamgeslagen van verbazing om me heen gingen zitten, zoet luisterend naar verhalen die ik ter plekke verzon. Mannen zijn over het algemeen sukkels. Goedaardige sukkels, maar sukkels. Makkelijk om de tuin te leiden ook. Misschien gaan ze daarom altijd vreemd bij mij. Omdat ik mijzelf uiteindelijk toch net even iets slimmer, leuker en stoerder vind. Waarschijnlijk straal ik dat uit. En dat is voor mannen ook niet leuk natuurlijk. Met meneer K heb ik dat overigens allemaal niet. Dat vind ik zelf ook raar. Misschien komt het omdat ik, elke keer als ik denk te weten hoe hij in elkaar zit, mezelf weer terug bij Start vind.

Meneer K zegt altijd tegen mij, dat als ik ooit alleen kom te staan, en een man wil, ik er eentje moet zoeken met een akker. In zijn optiek is een man met een akker een goede man. Voor mij althans. Een man die iets maakt met zijn handen. Dus geen muzikant of schrijver. Dat zijn over het algemeen labiele aanstellers die immer op zoek zijn naar publiek en groupies. Bevestiging. Zoals ikzelf. Nee, een meubelmaker of zoiets. Een ambachtelijke kunstenaar. Zo eentje die met zijn voeten stevig op zijn zandgrond staat. De eenzaamheid ervan kent en daar niet bang voor is. Zodat ik ondertussen lekker op mijn eigen akker kan rondknooien, zonder angst te hoeven hebben dat hij, als ik even niet oplet, er gelijk met een ander vandoor gaat. Akkermannen zijn de meest betrouwbare mannen. En niet al te gecompliceerd. Zo zetten ze rustig een strooien  vogelverschrikker in hun veld om de vogels af te schrikken. Hangen er zilverpapiertjes in. Terwijl dat dus nooit helpt. Nooit.


De mosselmannen wachtten netjes in de badkamer tot de was klaar en droog was. Legden ondertussen een kaartje, repareerden mijn lekkende kraan en trokken een pruik uit een zwanenhals. Hun natte mossellijven droogden op en daardoor veranderde ook hun geur. Of ik begon eraan te wennen, dat kan ook. Het rook in ieder geval best plezierig. Daarna kleedden ze zich weer aan en vertrokken. Een minuut later hoorde ik nog flarden van mosselliederen boven de straten zwemen. De lege mosselen hadden ze achtergelaten. Her en der lagen ze verspreid. Op de trap, de overloop, in de douchecel. Soms vind ik er nog wel eens eentje als ik gehaast de trap op ren. Ze steken gemeen in mijn voeten. 

maandag 30 mei 2016

The sleep of reason


Ondertussen in de Gruyterfabriek in Den Bosch, nog tot 11 juni te zien: 


The sleep of reason, een tentoonstelling met werk van Barend van Hoek, Maarten de Man, Tobias Schalken en Kees van der Knaap. Op zaterdag 4 juni, tijdens het Kunst en Designweekend is de (ietwat verlate) opening, met een borrel, e.d. Uiteraard is u allen welkom.




vrijdag 20 mei 2016

Wat een tuin ziet als hij slaapt

Vorige week vond ik een oude foto van mezelf terug. Een jaar of twintig ben ik daar, en vloog van het ene avontuur in het andere. Inmiddels, achtentwintig jaar verder, zijn de dagen alweer zolang rustig. Zelfs de tuin houdt zich in. Misschien slaapt hij, zonder dat ik er van weet. Is de brom, die ik 's nachts hoor, zijn snurken. De wind, die in mijn slaap onder mijn nek door raast, zijn adem. Vol herinneringen van wolkenjachtkraaien, afnemende zon-en-maanuren, blokken naar beneden stortend vliegtuigijs. Gewoon, dingen die tuinen zien. 

Ooit trilde mijn bed een week lang elke nacht. Ik zocht op Google of anderen in mijn buurt dit ook hadden. Zocht op bodemwerkzaamheden, zonder resultaat. Kort daarna overleed mijn vader en knalden er een straat verderop gasleidingen onder de grond. Tegenwoordig trilt mijn bed nooit meer.

Ik zou graag kamperfoelie in mijn tuin willen. Kamperfoeliebloemen hebben, als je ze op hun kop houdt, iets weg van kwallen. Ze woekeren wel erg, dat is een probleem. Eigenlijk ben je je halve leven bezig met het bijhouden van dingen die woekeren. Misschien zelfs driekwart. Snoeien, knippen, zagen, elimineren, wegduwen, harsen, uitkiezen, epileren, het verloopt allemaal volgens eenzelfde principe. Eerst is er niets. Dan is er veel. Waarna het minder moet. Alles moet altijd minder. Minder aandacht (anders word je verwend), minder succes (anders word je blasé), minder genot (anders word je leeghoofdig en blind), minder okselhaar (okselhaar is vies) minder vluchtelingen (anders wordt het te vol). Natuurlijk zijn er ook bergen mensen die juist van alles meer willen, maar daar heb ik het nu niet over.

Grote groepen mensen roepen om minder vluchtelingen. Over minder oorlog hoor je ze nooit. Oorzaken zijn misschien minder populair dan gevolgen. Ik weet ook niet waarom. Waarschijnlijk vergen ze meer aandacht, en aandacht is tijd, tijd is geld, en geld is papier met een man of een gebouw erop. Het gekke is dat geld heel lekker ruikt, terwijl het vol coke, poepdeeltjes en andersoortige ellende zit.

Toen ik nog het meisje in de foto was gebruikte ik nogal eens coke. Geweldig vond ik dat. Dat je kop op commando open knalde, je de hele godverdomde wereld in het kommetje van je handen voelde vibreren, en dat je wist, als ik iets naar links buig, naar rechts, buigt de hele wereld mee. Die euforie duurde niet lang, hoor. Ik verveel me altijd snel met dingen, hoe geweldig ze in het begin ook lijken. Op een gegeven moment valt alles ten prooi aan een systeem. Dat is het punt waarop het saai wordt. En dan bedoel ik geen saaiheid zoals stiltesaai. Stilte is namelijk helemaal niet saai. Dat is retespannend. In stilte kan alles gebeuren. De vraag is wanneer, en hoe dient het zich aan. En dan zit jij daar, in een hoekje te wachten tot het gaat knetteren. De adrenaline die door je keel giert. Man!

Het is fijn om naar kwallen te kijken. Rustgevend. Die dansende rokken, zwierige tentakels. Sommigen geven licht. Bij oostenwind liggen de stranden vol met groene lichtgevende bollen. Machtig is dat. Mijn vader nam me vroeger als kind midden in de nacht nogal eens mee de duinen in, van Ameland. Daar liepen wilde paarden, met lichtgevende ogen die opgloeiden in het donker. Dat was eng, maar nooit eng genoeg. Banger was ik voor de spoken in mijn vaders hoofd, die soms zomaar door zijn mond naar buiten schoten. Dan moest je echt rennen. Gewetenloze, sadistische gekken waren dat. Gelukkig kent alles een systeem. Nou ja, de meeste dingen. Gekte in ieder geval wel. Er zijn voortekenen, triggers, er is een laaien en er is een luwen. Het is zaak goed op te letten. Daar ben ik nog steeds een meester in, in opletten. Niets ontgaat mij.

Sleep of reason
(Kees van der Knaap)
Als het opletten erger wordt, gaat de tuin harder brommen. Ook daar zit een systeem in. Het is iets met het kip en het ei. Ik weet nog niet wie eerder was. Ik of de tuin. Het opletten of het brommen. Je moet ook oppassen met opletten. Het houdt je wakker. En slapeloosheid ontregelt de hele biochemie. Als het te erg wordt bel ik meneer K voor het slapengaan. Die woont dan wel honderd kilometer verderop, maar dat zegt niks. Meneer K zit nachtenlang te tekenen, in zijn kamer, aan zijn tafel, onder zijn ufolamp. Dan zegt hij dat ik rustig kan gaan slapen terwijl hij de monsters onder zijn hoede neemt. Meestal nodigt hij ze gewoon uit in zijn kamer. Geeft ze allemaal een eigen stoel. Sommigen mogen model staan in een van zijn tekeningen. Monsters zijn in hun hart als de dood voor meneer K, dus dat werkt altijd. Ik denk dat dit komt omdat hij ook vriendelijk voor ze is. Niet alleen afkeurend. Ze zijn er gewoon, lijkt hij te denken, dus kun je maar beter een soort van omgangsregeling vinden. Ik leer dat ook steeds beter, maar het gaat langzaam. Ondertussen ga ik gewoon door met opletten. Dat zit ingebouwd. Hier, vanachter mijn oogramen, houd ik de hele wereld in de gaten. Terwijl mijn tuin slaapt. Bromt. Trilt.



vrijdag 13 mei 2016

Oude gekken, rode lippenstift

Omdat ik over anderhalf uur een afspraak in Amsterdam heb, stap ik gehaast bij een winkelcentrum (in Apeldoorn) uit mijn auto en snelwandel naar de supermarkt. Naast mij stopt een auto. Ik registreer dit niet bewust. Hier is ook geen reden toe, het is een parkeerplaats. Daar parkeren auto’s. Stappen mensen uit. Vrouwen, mannen, kinderen, honden. Na een meter of twee hoor ik een man achter mij keihard ‘vuile trut’ roepen. Ik draai mij verbaasd om. De man die naast mij parkeerde is uitgestapt, kijkt mij recht aan, en herhaalt dat ik een trut ben. ‘Wát zegt u?’ roep ik verontwaardigd. ‘Ja, u hoorde mij wel,’ bitst de (overigens keurig uitziende) man van een jaar of zestig mij toe. Ik antwoord dat ik niet begrijp waarom hij mij trut noemt, en dat ik daar niet van gediend ben. Maar afijn, het is warm, ik heb nog steeds haast, en loop snel door naar de supermarkt. Bij het afrekenen merk ik dat mijn handen trillen. De caissière knikt me vriendelijk toe, maar kan niet goedmaken wat er net is gebeurd. Al die onverwachte agressie richting mij, op zo’n mooie morgen, ik vind het wat.

Op de terugweg kom ik de man weer tegen. Hij duwt moeizaam een kar richting de supermarkt. Er staat een leeg krat bier in. Ik loop naar hem toe en vraag zo stemvast mogelijk waarom hij mij een trut noemde. Hij probeert stoer te kijken, wat hem niet makkelijk afgaat, hij had duidelijk niet verwacht dat ik de confrontatie zou zoeken. Zijn inmiddels rood aangelopen hoofd wordt nog roder. Met een ballerig accent en brede gebaren legt hij omstandig uit waarom hij mij uitschold. Hij had namelijk gevraagd ‘of het ging’. ‘Of het ging?’ herhaal ik verbaasd. ‘Ja, het uitstappen.’ En ik had niet geluisterd. Sterker, ik was gewoon weggelopen. En hij wist ook waarom. ‘O ja,’ vraag ik geamuseerd, ‘en waarom dan wel?’ ‘Omdat u zo’n feministe bent, die niet met mannen wil praten. Met uw rode lippenstift.’ Hij wordt steeds bozer, je ziet dat hij zichzelf aan het opladen is. Zijn woede over vrouwen, ex-vrouwen, zijn moeder, rode lippenstift, hij moet het allemaal kwijt. Bij mij, om precies te zijn, de vijand zelf, die met felrode lippenstift in levende lijve voor hem staat. Stomverbaasd luister ik naar zijn verhaal. Mijn geduld is verdwenen en geagiteerd leg ik hem uit dat hij mensen zo niet kan behandelen, en dat ik er erg van geschrokken ben. Dat ik hem niet had gehoord, bij het uitstappen, omdat ik haast had, en in gedachten was. De man wuift dit schamper lachend weg, niks haast, niks geen gedachten. Ik wílde hem niet horen. Omdat ik een stomme feminist ben. Met mijn arrogante kop. Punt uit. ‘Vrouwen zoals u, willen niets van mannen weten,’ roept hij brallerig. Ik antwoordt dat áls dit al zo is, dat dit komt door mannen zoals hij. Met hun machtsvertoon, hun mannetjesgedrag. Ik merk dat mijn stem luider wordt en mijn benen trillen nu ook. ‘Zie je wel,’ roept het mannetje verheugd, ‘wat ik zei, een stomme feminist, dát bent u, zoals al die vrouwen tegenwoordig.’

Dan wordt het me teveel. Boos stamp ik het winkelcentrum uit, onderwijl roepende dat ie een ouwe gek is, met zijn lulpraat. Achter me hoor ik hem mopperen. Dat die vrouwen van nu geen fatsoen meer hebben. 

dinsdag 10 mei 2016

Aan alle Henken van Nederland

Midden in de nacht, nét als mijn ogen eindelijk willen dichtvallen, ploinkt mijn mobiel. Weer. Facebook Messenger. Ene Henk. Henk stuurt mij een foto waarop hij in een fabrieksachtige ruimte staat. Hij draagt slechts een lang wit plastic schort en een zonnebril. In zijn hand een gele opgerolde tuinslang. 'hey Johanna, heb je nog iets leuks meegemaakt' staat ernaast geschreven. Voor de duidelijkheid: ik ken geen Henk.
Verbijsterd staar ik naar mijn mobiel. Het schort, de zonnebril en de tuinslang zijn eigenlijk te groot voor Henk. Hij verzuipt erin. Daarnaast heeft hij behoorlijke flaporen. Ik vermoed dat die ervoor zorgen dat Henk niet omvalt. Iets met natuurlijk evenwicht.

Slapen lukt niet meer. Al die schriele wanhoop in slechts een schort. Het komt hard binnen. Terwijl ik toch best wat kan hebben. Ergens in mijn hoofd wordt een ophaalbrug omhoog getakeld. Ik wil dit niet zien. Ik wil niet dat mannen mij dit soort ellende sturen terwijl ik onschuldig in mijn fijne bedje lig, en denk aan de leuke moederdag die ik afgelopen weekend had. Of aan hoofdstuk 8 van mijn boek, waar ik morgenvroeg vers aan ga beginnen.Misschien denkt Henk een goddelijk lichaam te hebben. Ziet hij niet dat hij, met die witte spillepootjes onder dat plastieken schort, meer op een sneue versie van Walter White of op een kampbeul lijkt. Waarom doen mannen dit? Vrouwen sturen nooit zulke rare dingen, op een handjevol koekwausen na. Denken die Henken nou echt dat ik midden in de nacht aan een blote man in een schort met een zonnebril op zijn hoofd en een tuinslang in zijn hand leuk ga vertellen wat ik allemaal heb gedaan de afgelopen week? Dus bij deze, voor alle Henken van Nederland: Tieft op! Houd op met ploinken! Ga je moeder midden in de nacht liggen ploinken! Je zus! Maar laat mij met rust!  


dinsdag 3 mei 2016

De bikiniman

Mijn dochter en ik zitten op een bankje voor het station te wachten op mijn zoon, die elk moment met de trein kan aankomen. Het zonnetje schijnt op onze koude lentehoofden, we babbelen wat, eten een broodje, en ik constateer tevreden dat als het leven mij af en toe van dit soort dagen toeschuift, ik het best te pruimen vind.
Dan mijn mobiel. FB Messenger. Ploink: Heb je je bikini al aan? Ploink: Mooi bikiniweer, vind je niet? Ploink: Wat ik zeg, bikiniweer. Ploink: Heb je hem al aan, ja, je bikini? Ploink: In de tuin? Ploink: Of heb je geen tuin. Ploink: Zit je met je bikini op je balkon? Ploink: Mooi toch. Ploink: Bikiniweer. Ik bekijk de afzender. Een oudere man met een woest wanhopige blik staart van onderen af geselfied in de camera. Ondertussen ploinkt hij lekker door. Over bikini’s. Nooit las ik het woord bikini zo vaak achter elkaar. Ik zie mijn vintage badpak met stippen voor me. Want ik heb niet eens een bikini. En na twee bevallingen, buikoperaties en een fiks myoom in mijn buik die over drie weken door dr Braat -geen grapje- in het UMC wordt weggebrand, gaat die er ook niet komen. Ploink: Is ie rood? Je bikini? Ploink: Of zwart. Ook mooi. Lekker weer hè? Ploink: Toch? Niet dan?

‘Je kunt mensen ook blokkeren hè,’ zegt de dochter. Ja, maar hoe. Thuis op de laptop lukt dat wel, maar hier met mijn mobiel in de zon snap ik er geen hout van. Ploink: Ben je al bruin? Ploink: In je bikini? Ik krijg moordneigingen. Alle wanhopige mannen met selfies van onderen af gemaakt moeten dood. Dan weer een ploink. Ik moet wat terugzeggen. Iets gemeens. Dat de wanhopige man nog wanhopiger wordt en hard huilend de FB berichtenbox verlaat. Met zijn kutbikini’s. Ik besluit de chat alvast te openen, dan komen de woorden vanzelf wel. Tegelijkertijd zie ik het vrolijke hoofd van mijn zoon oppoppen. Hij heeft een omgekeerde doos op zijn hoofd. ‘Ik ben er bijna,’ schrijft hij. 

De dochter naast me vraagt of ik een shaggie wil draaien. En of ik van de zomer een paar dagen mee wil naar Berlijn. Ik antwoord dat mij dit geweldig lijkt. In de auto vertelt zoon de overeenkomsten tussen Kierkegaard en The Matrix. En dat als je Kierkegaard goed leest, het helemaal niet zo deprimerend is. Misschien geldt dat ook voor de bikiniman. Is hij in werkelijkheid helemaal geen wanhopige man met onderkinselfies. Speelt hij er één. Stuurt hij die bikinishit gewoon vanuit zijn luie stoel bij een zwembad in Ventimiglia, terwijl zijn vrouw met een knijper op haar neus baantjes trekt. De bikiniman zwijgt. Misschien heeft zijn vrouw haar knijper eraf gezwommen, loopt al het water haar longen binnen en moet hij haar reanimeren. Heeft hij hulp nodig. Bikiniman, tik ik, bikiniman, heb je hulp nodig? Maar het blijft stil. 

dinsdag 26 april 2016

Een gerede kans

Vannacht ontmoette ik in een droom een wat oudere vrouw die leek op een lerares die ik vroeger had. Ze stond op een brug die twee landen waar het altijd sneeuwde met elkaar verbond. Ze groette me minzaam en viel gelijk met de deur in huis. Haar fysiotherapeut, Rutger, had mijn columnboek Ongearticuleerd gorgelen gelezen maar er niet bijster veel aan gevonden. Hij moest wel een paar keer lachen maar dat was meer per ongeluk geweest, zoals je een oprisping kunt hebben wanneer je te snel gegeten hebt. 
‘Jammer,’ zei ik naar waarheid. ‘Misschien is het niet zijn genre?’
‘Rutger houdt van oorlogsboeken,’ antwoordde de vrouw beslist. Ze ging er vanzelf wat rechter door staan.
‘Hij kent alle oorlogen uit zijn hoofd.’
‘Zo,zo,’ zei ik bewonderend, ‘alle oorlogen. Toe maar.’
We hoorden een luide krak. Achter ons stond een huis op instorten. De vrouw boog zich naar me toe.
‘Dat huis is te redden, weet je,’ sprak ze geheimzinnig. ‘In het midden van de voorpui zit een  ingemetselde kies. Die kies heeft in het midden een zwart, rot gat. Dat gat staat in verbinding met alle landen ter wereld. Jij moet de kies uithakken, wachten tot de zon op het juiste punt staat, voor het huis gaan staan en wijzen. Strak wijzen, niet van dat slappe. Als het goed is richt de zon haar stralen dan via jouw vinger dat zwarte gat in.’
Okay,’ antwoordde ik, ‘ik zal erover denken. Wat gebeurt er eigenlijk als ik dat doe?’
‘Dan is er een kans,’ zei de vrouw terwijl ze aanstalten maakte om weg te lopen. ‘Een gerede kans.’ 

woensdag 20 april 2016

Herman Koch: ‘De Nederlandse literatuur is een Blanke Man’

Helaas, ook dit jaar laten vrouwelijke schrijvers het massaal afweten bij het schrijven van het Boekenweekgeschenk. Ondanks het feit dat Nederland barst van het vrouwelijk literair talent en de meeste lezers vrouw zijn, was er ook dit jaar (weer) geen enkele dame voor het klusje te porren. Slechts twee auteurs wisten er in de afgelopen 16 jaar tijd voor vrij te maken: Anna Enquist (2002) en Esther Gerritsen (2016). Ik besluit Herman Koch, schrijver van het Boekenweekgeschenk 2017, op te bellen en te vragen wat hij hier van vindt.

Kutklusje
‘Ik vind het een slechte zaak,’ antwoordt een duidelijk diep teleurgestelde Herman Koch. ‘Nu moet IK dat kutklusje weer opknappen, terwijl schrijfsters als Mensje van Keulen bijvoorbeeld, Margriet de Moor of Vonne van der Meer ook een grote staat van dienst hebben. Zij zouden, net als al die andere talentvolle vrouwelijke schrijvers wel eens wat meer verantwoordelijkheid mogen nemen. Ze tonen geen karakter, weet je. Je ziet het ook in het zakenleven of de politiek, waar vrouwen het altijd overlaten aan de Blanke Man. Ik weet niet wat het is met die wijven. Waar zijn ze dan zo druk mee, vraag ik me af. Kinderen? Koken? Mannen? Dakpannen beschilderen? Lekker makkelijk weer hoor, dames.’

Maar 29.000 woorden
‘En er zijn talentvolle vrouwen genoeg,’ buldert Koch verder, ‘daar ligt het niet aan. Ze drukken zich gewoon. Elk jaar weer. Wat ik maar zeggen wil: Nelleke Noordervliet, Helga Ruebsamen, Pauline Slot, Hanna Bervoets, Jannah Loontjens, Judith Koelemeijer, Susan Smit, Charlotte Mutsaers, Connie Palmen, Astrid Roemer, Vonne van der Meer, Franca Treur, Carolijn Visser, Frida Vogels, Sanneke van Hassel, Rosita Steenbeek, Maartje Wortel, Marie Kessels, Margriet de Moor, Wanda Reisel, Marja Pruis, Marente de Moor, Annelies Verbeke, Jessica Durlacher, Marion Bloem, Fleur Bourgonje, Paulien Cornelisse, Mensje van Keulen, Annejet van der Zijl, Joke van Leeuwen, Marieke Groen, Manon Uphoff, Elsbeth Etty, Joke Hermsen, Lieve Joris, etc, etc, wees volgend jaar nou eens een beetje sportief en zeg gewoon “ja” als ze je vragen. Het zijn maar 29.000 woorden, godbetert. Bij uitstek een vrouwenafstand. Het klinkt ook wijverig hé, "novélle". Dus, huppakee. Aan de slag. Zo moeilijk is het allemaal niet.’

donderdag 31 maart 2016

Ieder zijn eigen kuil

Op deze foto lach ik nog (al is het als een boer met kiespijn) menszen, maar inwendig huil ik. T'is natuurlijk een bericht van niks, in deze bloederige aanslagenwereld, dat snap ik ook wel, en het zal jullie allemaal je reet oxideren, maar in de wereld van JG is het nogal wat. Ik sta hier namelijk op mijn pad. MIJN pad in Radio Kootwijk, vlakbij de plek waar ooit mijn hutje stond en waar ik ’s nachts dolgelukkig naar het burlen der herten luisterde. (Wie het geluid van geile herten niet kent, heeft niet geleefd.)

Afijn, dit pad dus. Sedert 247 jaar loop ik hier zo vaak als ik maar kan. Sterker, ik liep hier al toen ik nog niet bestond. Het pad nog niet bestond. Het pad en ik nog niet geboren waren. En als ik dood ben loop ik hier nog. Zo’n pad.

Nu komt het.

ER ZIJN STROOMDRAADHEKKEN OM MIJN PAD GEPLAATST! EN ER ZIT EEN KUIL IN!

Dit is allemaal heel erg. Ik kan er niet over uit. Waarom? Ik begrijp dat pad! Dat pad begrijpt mij! Wij maakten alles samen mee! Dat pad en ik. Ik en dat pad. Ik ben dat pad. Dat pad is mij. 

Internet leerde mij dat er wisenten naar de Veluwe komen. 80.000 jaar geleden schijnen die daar al rondgelopen te hebben, tussen het bochtige smele, de dekzandruggen. Het feit dat ze dat inmiddels niet meer doen zegt mij genoeg, misschien was de combinatie Veluwe en wisent gewoon niet zo’n gelukkige, maar nee, we gaan het tig duizend jaar later gewoon nóg eens proberen.

De Veluwe is groot. Dagen (nou ja, twee toch zeker wel) kun je er lopen zonder iemand tegen te komen en nergens botst je blik tegen menselijk falen op. Geen lantaarns, geen lichtvervuiling, geen niks niet. Er zijn herten, wilde zwijnen, raven, dassen, moeflons, reeën, kadavervelden, etc. Me dunkt dat dit genoeg is. Maar nee, dachten ze bij Staatsbosbeheer, er moet een bison bonasus bij. Een evenhoevige uit de familie der holhoornogige. Een bizon achtige. Kortom een wisent. Dat is leuk voor de mensen. Weet je wat? We zetten ze uit op het JG pad. Dat pad waar nooit iemand komt, behalve die rare in zichzelf pratende vrouw met die lange zwarte jas tot aan d’r enkels die leeuweriken nadoet of als een debiel staat te springen op het (immer verende) konijnenpad.

Over een paar weken komen ZE. Mijn pad is inmiddels omheind met speciale schrikdraadhekken. Herten kunnen eroverheen, dassen eronderdoor, maar geen JG die daar doorheen komt. Op de plek waar vorig jaar de leeuweriken nog zenuwlijerig boven het bochtige smele twinkeldingesten om hun nesten te beschermen ligt nu een vers gegraven kuil. Wisenten schijnen graag zandbaden te nemen. Het voorheen zo ongerepte landschap rondom mijn geliefde pad doet inmiddels denken aan het strand bij Scheveningen waar elke Duitser zijn eigen kuil heeft.


Ik heb waardig afscheid genomen van mijn pad. Heb het gegroet, bedankt en de rug toegekeerd. In de verte zag ik een dikke vette koekoek op een tak zitten die eigenlijk te klein voor hem was. Ik herkende direct de koekoek die denkt dat ie een heggenmus is. Het beest zat te koekoeën als een malle. Nooit eerder koekoekte hij zo hard, en dat weet ik, want die koekoek is ook van mij. Net als dat pad. Eigenlijk is de hele Veluwe van mij, maar dat weet Staatsbosbeheer nog niet, dus dat houd ik voorlopig stil.

Waarschijnlijk wilde de koekoek mij iets zeggen. Dat ik me niet zo debiel moest gedragen. Ik gewoon een andere boom moest zoeken om in te gaan zitten, kortom, moest doen alsof ik een heggenmus was. Dus bij deze. Je suis een koekoek. Een heggenmus, een wisent godbetert. Hopelijk helpt het een beetje.


donderdag 24 maart 2016

Abdou en de anderen

Schrijver Lammert Voos werkte in de jaren negentig van de vorige eeuw met vluchtelingen en asielzoekers. Hij maakte als medewerker van Vluchtelingenwerk en van het COA mee op welke manier in Kroatië en in Nederland kwetsbare  en beschadigde mensen gemangeld werden door de bureaucratie. Op 13 april verschijnt zijn boek.

Voos stelde vast dat het hem zelf ook niet lukte zuiver te blijven in die onzuivere wereld. Hij stopte na zeven jaar met het werken met vluchtelingen. Nu, in 2016, ziet hij hoe alles zich herhaalt: de mythes, de vooroordelen en argumenten, ze zijn niet veranderd. Net zo min als de problemen rond de opvang veranderd zijn.

In Abdou en de anderen vertelt Lammert Voos over de mensen die hij gekend heeft, niet over dossiers of nummers. Hij vertelt zeer persoonlijk over zijn onmacht en ontkracht op basis van zijn ervaringen uit de praktijk en feitenmateriaal de vooroordelen over migratie. Voos stelt dat Nederland een keuze heeft: blijft men hangen in machteloos populisme of pakt men het probleem op humane wijze aan? Abdou en de anderen is een meeslepend, eerlijk pleidooi voor een benadering van het vluchtelingenprobleem waarbij solidariteit het wint van hypocrisie en bureaucratie:
De onmacht snijdt me nog steeds door de ziel. (...) Ik leef ik in een bijna permanente staat van déjà vu: de onfrisse sentimenten, de hartverwarmende initiatieven, berichten in de media over misstanden in vluchtelingenkampen zoals geweld en prostitutie, ik heb het allemaal eerder gezien en gehoord, het is niets nieuws. Maar ik voel me weer net zo machteloos als toen en de vervreemding slaat toe: de verwarring is dezelfde, het lichaam en de geest zijn twintig jaar ouder.
Lammert Voos  (Eenrum, 1962) is dichter, schrijver en docent poëzie aan de Schrijvers Vakschool te Groningen. In de jaren tachtig was hij zanger van New Wave/Punkband Umberto di Bosso é Compadres. In de jaren negentig werkte hij met vluchtelingen en schreef in diverse bladen over alternatieve popmuziek. Hij publiceerde vier dichtbundels, waarvan een in Gronings dialect, drie boeken met kort proza en een roman. Van 2011 tot 2013 was hij stadsdichter van Deventer. De fotografie in Abdou en de anderen is een keuze uit de prijswinnende serie ‘Shelter’ van  Henk Wildschut, over het vluchtelingenkamp bij Calais. Wildschut kreeg er de Dutch Doc Award voor in 2011.
Meer informatie via AFdH Uitgevers, Paul Abels 053-4362134 of 06-10942443 of info@afdh.nl

vrijdag 11 maart 2016

Dood te koop (der Tod ist ein Meister aus Deutschland)


Vier weken geleden lag ik bij mijn huisarts op de behandeltafel. Mijn buik stak pront omhoog en als je niet beter wist zou je denken dat ik (op mijn 47e, jawel) in blijde verwachting was. De dokter voelde, keek zorgelijk en zei dat er een myoom in mijn buik zat ter grootte van een meloen. Vijftien centimeter in diameter en twee kilo zwaar. Hoe lang ik hier al mee rondliep, godbetert. Ik antwoordde dat hij in korte tijd heel groot was geworden. En dat mijn kekke jurkjes ineens niet meer zo kek stonden omdat mijn buik er nog amper inpaste. 
‘Myomen zijn eigenlijk altijd goedaardig,’ zei mijn huisarts.           
‘Het komt maar zelden voor dat ze kwaadaardig worden.’ 
‘Hoe weet je of een myoom kwaadaardig is?’ vroeg ik timide.
‘Als ze in korte tijd heel snel groeien.’

Het is gek, maar ik stelde mezelf al jaren voor hoe zo'n ‘slechtnieuwsgesprek’ zou gaan. Dan zag ik mezelf in gedachten bij de dokter zitten bijvoorbeeld, terwijl ik ondertussen gewoon in de rij bij de appie stond, met een mandje vol boodschappen in mijn hand. Hoe zou ik reageren? Koelbloedig? Paniekerig? Zou ik janken? Tss, nee, dat laatste zeker niet.

In de auto barstte ik in een kort en heftig janken uit. Het klonk vreemd. Een onbekend soort janken was het en ondanks de paniek bestudeerde ik mezelf als een antropoloog die zojuist een nieuwe stam had ontdekt. Koelbloedig. Ik belde mijn geliefde en hoorde aan zijn stem dat het allemaal zeer echt was wat er gebeurde. Er had een heus slechtnieuwsgesprek plaatsgevonden en er was een gerede kans dat er kwaadaardigheid in mij groeide. In de rij bij de appie had de hoofdpersoon in mijn ‘slechtnieuwsgesprek-scenario’ nooit jankend op de parkeerplaats van de dokter gestaan. Tegen die tijd stond ik namelijk allang mijn boodschappen op de band te laden, of zocht ik mijn bonuskaart.
      ‘Joehoe,’ riep ik naar boven, ‘er is een fout gemaakt, jongens hallo, dit komt niet goed uit. Ik heb kinderen die mij nodig hebben, een boek dat af moet, heb net drie jaar geleden de liefde van mijn leven gevonden en nog nooit een literaire prijs ontvangen. Om maar iets te noemen.'

Thuis bestelde ik kordaat vijf potten voedingssupplementen op internet die mijn myoom moesten doen laten slinken en besloot een hormonenvrij dieet te gaan volgen. Controle wilde ik. Mijn lichaam moest weten wie hier de baas was. Wat nou kwaadaardig. Ik was verdomme al twee keer eerder bijna de pijp uit gegaan, overleefde de meest rare shit en joeg al jaren -ondanks een serieus bloedstollingsprobleem dat ervoor zorgt dat mijn bloedvaten als kloppende tijdbommen door mijn lichaam lopen -  als een snelheidsduivel met ware doodsverachting over ’s Heeren wegen. En dan zou Joep Meloen hier, die nota bene net kwam kijken, de boel even komen verzieken. Echt niet. Dus stopte ik met het eten van suiker, zuivel, rood vlees en tarwe, viel kilo’s af (zodat mijn myoom nog zichtbaarder werd) at alleen nog maar biologisch en vertelde mijzelf tig keer per dag in de spiegel dat ik de baas was, hiero. Ik. Als in IK dus. Verder ging ik als een dolle mijn huis uitmesten en zette alles wat overbodig was op Marktplaats, waaronder een oude Duitse Meister naaimachine uit 1970.

Intussen wachtte ik gelaten de echo (die pas over drie en een halve week zou plaatsvinden) af, vertelde slechts een handjevol mensen wat er gaande was en schreef als een bezetene verder aan Radio Mölköl, mijn boek in wording waarin –hoe wrang-  een verborgen radiozenddorp op de heide wordt blootgesteld aan straling die onder de bevolking kanker veroorzaakt. Het deed me denken aan Mahler die twee kinderen verloor na het schrijven van zijn Kindertotenlieder. Zou je die dingen dan toch over jezelf afroepen? Bestond er niet zoiets als ‘onschuldig schrijven’? 

Nadat ik van de eerste schrik was bekomen begon ik mijn toestand te relativeren. Het zou allemaal wel meevallen. Ik googelde me een ongeluk. Het mooie van internet is, je kunt er alles vinden. Bewijs voor het bestaan van buitenaards leven? Wordt voor gezorgd. Chemtrails? Graancirkels? Talloze sites met schreeuwende hoofdletters en zinnen die als langgerekte panoramafoto’s je beeldscherm vullen, staven jouw vermoedens. ZE BESTAAN! ECHT WAAR! Zo ook positieve prognoses voor baarmoederkanker. Ik leerde er bijvoorbeeld dat de baarmoeder van Evelien uit Tuitjehorn eruit zag alsof hij ‘een voetbal had ingeslikt’. Wekenlang had Evelien in spanning gezeten (Net als ik! Net als ik!), snelgroeiende tumoren waren tenslotte vaak kwaadaardig, maar het was uiteindelijk toch goed gebleken. Een uur later daarentegen vond ik een bericht van Wendy, die met zo’n zelfde bal in haar buik zat en nog een maand te leven had. Tja.

Soms deed ik onverwachte dingen. Zo riep ik tijdens het stofzuigen bijvoorbeeld een keer heel hard ‘Ik wil niet dood!’ Daar schrok ik van. Zou ik gek worden? Ik zie vaak dingen die er niet zijn. Muizen, ratten, spinnen die over muren rennen, Jezus of Maria tegen een helblauwe lucht, ik draai er mijn hand niet voor om, maar nooit eerder riép ik dingen, zomaar uit het niets.

Er was ook geruststelling. Na mijn bezoek aan de dokter droomde ik over een diep en donker bos. De lucht was er vochtig, mossig en rook kruidig, als een beginnende herfst. Aan weerskanten van de keurig aangeharkte paden lagen herten te slapen. Als ik langsliep keken ze op, knikten me gemoedelijk toe en gingen weer verder slapen. Allen waren misvormd. Herten met hamerhaaihoofden, voetbalbuiken, slangenstaarten. Hun vachtjes en ogen echter waren zacht en levend. 

Op Vrouwendag zat ik met mijn geliefde, meneer K, in de wachtkamer van de gynaecoloog voor De Echo. Mijn telefoon bliepte. Er meldde zich een koper voor de naaimachine die ik al weken op Marktplaats had staan, de oude Meister uit 1970. Toen ik dit aan meneer K vertelde reageerde hij zeer opgetogen. Voordat ik kon vragen waarom werd ik opgeroepen en rende ik de behandelkamer binnen. Eindelijk zou ik te horen krijgen dat alles goed kwam. Want dat het goed kwam wist ik zeker. De gynaecoloog keek in mijn dossier en las hardop de afmetingen van mijn myoom voor. Ze keek zorgelijk en zei dat een myoom van dit formaat eigenlijk altijd kwaadaardig was. En dat er dus snel een MRI moest worden gemaakt. Ik zou dan ook geopereerd moeten worden, maar hoe moest dat met mijn bloedstollingsprobleem? Bij eerdere ingrepen was ik in een shock geraakt vanwege overmatig bloedverlies. Kortom, alle steigers die ik in de afgelopen weken zorgvuldig rond mijn ‘hoop op een goede afloop’ had opgebouwd flikkerden tegelijkertijd omver. Okay, dit was het dan. Tabee, toedeledokie. Verkeerd gegokt, jammer dan, helaas, pindakaas.

Toen kwam er een echo. Er ging blauwe gel in een condoom, of ik allergisch voor latex was? Nee. Er ging een staafding in mij, niet schrikken, nee, natuurlijk niet, ik ben wel wat gewend, schiet nou maar op. Een hoop gefrut, gedraai en een oorverdovende stilte op het ernstig zoemen van het echoapparaat na. Boven mijn hoofd hing een scherm. Ik keek recht mijn baarmoeder in. Joep leek op een inktvis. De gynaecoloog legde uit dat een kwaadaardige tumor vlekkerig was. Ik zag geen vlekken. Daarna wel honderd. Mijn hart begaf het bijna. Toen, na een eindeloos durende minuut de verlossende woorden: ‘Het is goed.’

Het hele behandelplan is aan mij voorbij gegaan. Opereren, medicijnen, hormonen, embolisatie, geluidsgolven, ik vond alles best. Desnoods bleef Joep zitten waar die zat. Wat kon mij het het schelen. Ik ging niet dood. Ik zou volgend jaar gewoon voor de 49e keer jarig worden, nog honderd keer naar Berlijn gaan, genieten van mijn kinderen, kleinkinderen en de liefde van mijn leven. De laatste vijf hoofdstukken van mijn boek afschrijven en alle literaire prijzen van de wereld winnen (in your dreams, baby). De print van de echo kreeg ik mee ‘voor boven de bank’. Stralend, alsof het een vier maanden oud babywonder was, liet ik Joep aan meneer K zien. De mensen in de wachtkamer lachten vertederd. Altijd mooi, nieuw leven.

In de auto legde meneer K uit waarom hij zo blij werd toen bleek dat iemand de Meister naaimachine -juist op dat cruciale tijdstip-wilde kopen. Elke keer als hij dat kreng zag staan moest hij denken aan de ‘Todesfuge’, het gedicht van Paul Celan waarin de zin: ‘Der Tod ist ein Meister aus Deutschland’ meerdere malen voorkomt. Als die naaimachine nu maar snel verkocht werd, had hij bedacht, zou ik blijven leven.

Tot zover de kosmos en zijn zogenaamde krachten want diezelfde middag meldde de koper zich alweer af en sleepte meneer K de dood (dan maar eigenhandig) naar de schuur. Daar staat hij nu. Tussen de muizen. Te wachten op een koper.

zondag 21 februari 2016

Over de eigenschappen van (onder andere) melk

Vannacht rende ik door de gangen van een Pools opvoedingsgesticht langs kamers waar jongens gitaar speelden. Ze droegen felgekleurde hemden en neurieden melodieën die op oude psalmen leken. Een jongen -die hoogstwaarschijnlijk nog nooit van kerkscheuringen had gehoord- stak zijn hoofd om zijn deur en vroeg waarom ik de hele tijd in cirkels liep. ‘Omdat de gang rond is!’ riep ik nogal hysterisch. ‘Altijd maar rond, telkens weer, snap je dat dan niet!’

Hoofdschuddend pakte hij zijn gitaar, gemaakt van wajangpoppenhout en kattendarmen. Toen ik voor de driehonderdste keer langs zijn deur rende schreeuwde hij dat ik meer melk moest drinken. Ook bij de vierhonderdste, de vijfhonderdste keer waarna alle jongens met de vrolijke hemden in het Poolse opvoedingsgesticht begonnen te zingen over melk en zijn goede eigenschappen. Voor de duidelijkheid, ik lust geen melk.

‘Melk houdt alles bij elkaar’ was de strekking van het lied en één jongen humde er in tweede stem -als de pulseerknop van een keukenmachine- tussendoor: ‘HOUTook, HOUTook’. ‘Hout’ zong hij heel hard en ‘ook’ heel zacht waardoor het een beetje op het geluid van een vogel leek. De pulseervink bijvoorbeeld, of de gemuteerde koekoek. Dat zei ik tegen hem, maar hij schudde lachend zijn hoofd waar ik direct een uitgang in herkende, om precies te zijn in het gootje tussen zijn neus en zijn mond, als een skischans of een futuristisch gebouw van onderaf gezien.

dinsdag 16 februari 2016

Waarom ik vandaag de halve dag met een kapotte pan over straat liep

Vanmorgen vroeg stond ik om negen uur voor het Blokkerfiliaal bij ons op het plein. Aan mijn arm hing een tas met een oude pan erin. Een wok om precies te zijn. Hij had een gebroken steel en de 15 jaar oude anti-aanbaklaag was flink bekrast. Op internet kun je overal lezen dat je daar kanker van krijgt. Ik wil geen kanker. De tas was eigenlijk te klein voor de pan zodat hij er een stukje uitstak. Ik vond dat stom staan, wie loopt er nou om negen uur met een kapotte pan over straat? In de winkel mocht ik de oude pan inruilen voor een nieuwe, een échte volgens de reclameborden. Ik kreeg dan 30% korting. De Blokkermedewerkster kon de 30% knop niet vinden. Ze tikte allerlei codes in, belde met hoofdkantoren maar het lukte niet. Ze zei dat ik beter naar een ander filiaal kon gaan. Het filiaal 5 kilometer verderop had de echte pan niet op voorraad. Ik wilde namelijk de grijze granieten. ‘Die wil iedereen,’ riep de winkelmevrouw verwijtend. Bleu stond ik met mijn kapotte neppan in haar winkel. Ik schaamde me een beetje. De mevrouw van het filiaal 10 km verderop zag me binnenkomen met de tas waar een stukje neppan uitstak en begon al bij voorbaat geïrriteerd te wuiven. Alle echte pannen uitverkocht. Doei, doei. Ik voelde me een asielzoeker die op het strand bij Griekenland was aangespoeld. 

Thuis zette ik de kapotte pan terug op het fornuis. Dan maar kanker. Ik begon aan mijn boek te werken en kikkerde daar erg vanop. Maar in mijn middagpauze, toen ik een omelet stond te bakken in die kapotte neppan, vond ik dat ik toch nog 1 poging moest wagen. Ik belde de Blokker en vertelde dat ik de granieten wok zocht. De echte. De mevrouw klonk boos. ‘Bent u diezelfde mevrouw die in de winkel kwam vanmorgen met een kapotte pan? Ik zei toch dat de granieten echte pannen uitverkocht waren?’ Geschrokken keek ik naar het nummer in het schermpje, ik had inderdaad per ongeluk het filiaal gebeld waar ik die ochtend al eerder was geweest. ‘Zometeen ga ik alles uitpakken ja? En dan bent u morgenvroeg de eerste.’Ze klonk overspannen. Ik zag voor me hoe ze in het magazijn  stond, tussen honderden dozen echte pannen en hoe honderden mensen in de winkel schreeuwden om die ene granieten wok.

Later spoelde ik de onechte pan af, hield hem vast aan zijn stompje. Ik poetste extra voorzichtig om de losgelaten anti-aanbaklaag heen en zette hem terug op het fornuis. Toen ik zojuist de keuken binnenliep was hij weg. Ik belde de Blokker en zei dat ik geen onechte pan meer had om te ruilen tegen een echte, en of een lege zak ook okay was omdat een onechte pan tenslotte geen pan was. Boos gooiden ze de haak erop. 

maandag 15 februari 2016

Overleven op de Veluwe ( platteland versus de randstad)

Deze column verscheen eerder in De Nieuwe Veluwe : 

Soms moet ik in den lande voordragen. Aangezien literaire bijeenkomsten en boekpresentaties vaak in grote steden worden georganiseerd maak ik veel kilometers. Ik vind dat niet erg, in een klein land als Nederland ligt tenslotte alles dicht bij elkaar, maar in de grote stad denken ze daar anders over. Zij ZIJN namelijk Nederland en alles daarbuiten is één groot verlaten poolgebied, vulkaanlandschap of een uitgestrekte toendra waar hier en daar een inwoner rondscharrelt met een hoog voorhoofd en een bot door zijn neus.
Bij aankomst word ik meestal meewarig bekeken en van top tot teen gepolst. Ik heb toch niets aan de monstertocht overgehouden?  Geen blijvend letsel? Bevriezingsverschijnselen, scheurbuik, bloedende voeten? Alsof ik zojuist met een klipper uit Nova Zembla ben komen varen. Ik wuif de bezorgde opmerkingen altijd wat lacherig weg maar dat maakt het eigenlijk alleen maar erger. Ineens ben je niet meer slechts het slachtoffer van de barre tocht, nee, je bent een held door de koelbloedige manier waarop je de ontberingen hebt ondergaan. Dikke kans dat ze bij de aankondiging voor je optreden ook nog vermelden dat ‘we zeer vereerd zijn met de komst van Johanna Geels, die tenslotte hélemaal uit de Veluwe is gekomen’. Bij dat laatste gaat er nogal eens een diepe zucht door de zaal. De Veluwe! De blikken worden dromerig. Waarschijnlijk zien ze me nu op de rug van een Schotse Hooglander zitten die mij tot aan de grens van het bos brengt, mij van zijn rug laat glijden en bromt, ‘nu moet je het verder alleen doen, kind’.
Soms gaat het er harder aan toe. Een paar jaar geleden bijvoorbeeld moest ik optreden tijdens de Boekennacht, in Amsterdam. Een bekende schrijfster riep tijdens een gesprek dat ik met haar voerde enthousiast dat ze nog nooit iemand met zo’n achterlijk accent had gehoord. Ze keek me aan alsof ik uit een aflevering van Swiebertje kwam gelopen. En dat terwijl ik helemaal niet wist dat ik een accent hád. Later bleek ze zelf uit Deventer te komen, dus wellicht verklaart dat een en ander. Iets met de pot en de ketel en zo.
Of een paar maanden geleden, toen ik bij een radioprogramma van de publieke omroep moest verschijnen. Een redactielid loodste me door een überhip kantoor met kaal beton en perzische kleden naar de opnamestudio en vroeg onderwijl waar ik vandaan kwam. ‘Apeldoorn,’ zei ik. Hij keek stil voor zich uit, het was duidelijk dat hij een hip stadsdeel van A’dam had verwacht en niet een achterlijke gemeente in de provincie Gelderland. Toen legde hij een hand op mijn schouder en mompelde dat het niet gaf. Ik antwoordde dat Gelderland anders heel prachtig was hoor, en ik roemde de hei bij Radio Kootwijk, de zandverstuiving, de uitgerekte bossen, maar het gleed van hem af als water van een eend.

Afijn. Ik heb het maar opgegeven. Voortaan zeg ik gewoon dat ik ‘op de grens van Oost’ woon. Dat doet het in elke stad goed, men vraagt nooit verder en feitelijk is er geen woord van gelogen.