maandag 21 november 2016

Lepeldood

vandaag woon ik in een wastafel, waar ik met een oranje markeerstift
woorden op het porselein schrijf

als ik met mijn ogen knipper glijden ze naar het afvoerputje
er is zelden een woord dat niet door de gaatjes past

er zijn er die ik moet onderscheppen op straffe van eeuwige opsluiting      
gebaksdoos bijvoorbeeld

gebaksdoos is een woord als een grindtegel
konijnenpoffertje daarentegen glijdt zo fijn vanzelf 
langs het koude glazuur

sommige durf ik niet op te schrijven
woorden die mooi lijken maar waarachter je makkelijk blijft haken
zoals defibrilleerverpleegsters
meteorologische cholesteroluilen
lepeldood 



zondag 26 juni 2016

Werelden uit elkaar laten vallen is makkelijk, ze bij elkaar houden is different koek (over Brexit en 9B potloden)

Vandaag ga ik op bezoek bij meneer K. Aangezien hij meestal aan het werk is, rijd ik naar zijn atelier. Het is er altijd licht en warm. Buiten, achter zijn hoge atelierramen woedt de wereld. Dat klinkt banaal, en dat is het ook.
In de auto, op weg naar Den Bosch duidt Geert Mak op radio 1 de Brexit. 'Het is een puist,' zegt hij, 'die open moest barsten.' Onomkeerbaar dus. Als een wetmatigheid. Ergens stelt me dat gerust. Wetmatige onomkeerbaarheid lijkt minder eng dan populistisch volkschagrijn, ook al zijn de effecten daarvan precies hetzelfde. It's all in the mind. 

Ondertussen donderen hagelstenen vuistgroot uit de lucht, slaan als granaten om me heen in en overstemmen Radio 1. We leven in een tijd dat het gevaar allang niet meer slechts om ons heen sluipt. Het komt nu ook van boven, in de vorm van klimaatsverandering. Het mooie is, we hebben het allemaal aan onszelf te danken. Geen boze dondergoden, gewoon eigen schuld dikke bult.

Vroeger, toen ik klein was en op zondag in de kerk zat, drukte ik tijdens de preek vaak ritmisch uit verveling mijn oren open-en-dicht. Datzelfde geluid komt nu, alleen scherper, vanaf mijn autodak. Poef, poef, poef. Zo moet het ongeveer klinken in de Chak Chak grot, de Zoroastrische tempel. Het verhaal wil dat een Sassasijnse prinses, die vluchtte voor de invasie van de Arabieren en geen water bij zich had, uit wanhoop een stok tegen de rots aan gooide. Sindsdien drupt er continue water uit het steen. Chak, chak, chak.

Goede gedachten, goede woorden, goede daden, sprak de profeet Zarathoestra (Zoroaster) 1200 jaar voor Christus vanuit de filosofie om tot het ‘goede’ te komen. Door jezelf te richten op je innerlijke goedheid volgen de woorden en daden immers vanzelf. Dat klinkt makkelijk, en misschien is dat het ook wel.

Bij aankomst in het atelier is het stil. Op meneer K na, die met een mesje in drie bewegingen zijn potloden scherp slijpt. Chak, chak, chak. 9B. Het zachtste potlood. Vóór hem een kistje met stompjes, achter hem ontstaat een lucht van vijf bij anderhalve meter. Hele werelden tovert hij bij elkaar, met diepzwarte grafiethanden. Handen die hij -uit voorzorg- ver bij me vandaan houdt als ik binnenkom en me tegen hem opkrul, mijn wangen, kin en mond verlangend in zijn hals begraaf. In warm kloppende halzen en getekende luchten kun je makkelijk verdwijnen. In werelden niet. Die vormen het keiharde frame voor alles wat bestaat, met randen waar je vanaf kunt vallen, grenzen om tegenaan te botsen. 

In werelden waar grote hoeveelheden luchten, wangen, kinnen en monden samenleven is denkelijk een bepaalde voorzichtigheid geboden. Bewustzijn. Inlevingsvermogen. Een eeuwig polderen misschien zelfs wel. Hoe saai dat ook is. Nooit gedacht trouwens dat ik dit nog eens zou zeggen. Maar misschien is er geen keuze. Van alle (in de grond) falende politieke systemen is democratie waarschijnlijk de meest te pruimen soort. Ondanks de traagheid, klonterigheid en de verdeeldheid die het soms veroorzaakt..

Terug naar Den Bosch, naar het atelier in de oude fabriek aan het water. Dag en nacht staat meneer K hier aan zijn werelden te werken. Als een boer op zijn akker, zoals hij het zelf zegt. Terwijl ik honderd kilometer verderop zit te schrijven. Ook dat stelt gerust. Onze werelden lijken op elkaar, als magnetische cirkels in cirkels die in-en-om elkaar heen draaien. Waarschijnlijk zoek je dat onbewust toch op, de vertrouwdheid van een thuiskomen in de ander of een omgeving, iets waar je, naarmate je ouder wordt, steeds meer naar gaat verlangen. Het is wat dat betreft niet zo gek dat de meeste Brexitstemmers ouderen zijn. Een groep die gedurende hun lange leven al zoveel verloren heeft. Op een dag is daar de rek uit. En dan wil je simpelweg terug naar hoe het was. Naar huis. Toen je nog iets van controle over je leven leek te hebben.

Als je wil dat mensen bij je blijven moet je goed voor ze zorgen. Ze redenen geven om te blijven. Dat geldt voor bedrijven, gezinnen, relaties, geloofsgemeenschappen, en ook voor Europa. Werelden uit elkaar laten vallen is makkelijk. Ze bij elkaar houden is different koek.


maandag 30 mei 2016

The sleep of reason


Ondertussen in de Gruyterfabriek in Den Bosch, nog tot 11 juni te zien: 


The sleep of reason, een tentoonstelling met werk van Barend van Hoek, Maarten de Man, Tobias Schalken en Kees van der Knaap. Op zaterdag 4 juni, tijdens het Kunst en Designweekend is de (ietwat verlate) opening, met een borrel, e.d. Uiteraard is u allen welkom.




vrijdag 13 mei 2016

Oude gekken, rode lippenstift

Omdat ik over anderhalf uur een afspraak in Amsterdam heb, stap ik gehaast bij een winkelcentrum (in Apeldoorn) uit mijn auto en snelwandel naar de supermarkt. Naast mij stopt een auto. Ik registreer dit niet bewust. Hier is ook geen reden toe, het is een parkeerplaats. Daar parkeren auto’s. Stappen mensen uit. Vrouwen, mannen, kinderen, honden. Na een meter of twee hoor ik een man achter mij keihard ‘vuile trut’ roepen. Ik draai mij verbaasd om. De man die naast mij parkeerde is uitgestapt, kijkt mij recht aan, en herhaalt dat ik een trut ben. ‘Wát zegt u?’ roep ik verontwaardigd. ‘Ja, u hoorde mij wel,’ bitst de (overigens keurig uitziende) man van een jaar of zestig mij toe. Ik antwoord dat ik niet begrijp waarom hij mij trut noemt, en dat ik daar niet van gediend ben. Maar afijn, het is warm, ik heb nog steeds haast, en loop snel door naar de supermarkt. Bij het afrekenen merk ik dat mijn handen trillen. De caissière knikt me vriendelijk toe, maar kan niet goedmaken wat er net is gebeurd. Al die onverwachte agressie richting mij, op zo’n mooie morgen, ik vind het wat.

Op de terugweg kom ik de man weer tegen. Hij duwt moeizaam een kar richting de supermarkt. Er staat een leeg krat bier in. Ik loop naar hem toe en vraag zo stemvast mogelijk waarom hij mij een trut noemde. Hij probeert stoer te kijken, wat hem niet makkelijk afgaat, hij had duidelijk niet verwacht dat ik de confrontatie zou zoeken. Zijn inmiddels rood aangelopen hoofd wordt nog roder. Met een ballerig accent en brede gebaren legt hij omstandig uit waarom hij mij uitschold. Hij had namelijk gevraagd ‘of het ging’. ‘Of het ging?’ herhaal ik verbaasd. ‘Ja, het uitstappen.’ En ik had niet geluisterd. Sterker, ik was gewoon weggelopen. En hij wist ook waarom. ‘O ja,’ vraag ik geamuseerd, ‘en waarom dan wel?’ ‘Omdat u zo’n feministe bent, die niet met mannen wil praten. Met uw rode lippenstift.’ Hij wordt steeds bozer, je ziet dat hij zichzelf aan het opladen is. Zijn woede over vrouwen, ex-vrouwen, zijn moeder, rode lippenstift, hij moet het allemaal kwijt. Bij mij, om precies te zijn, de vijand zelf, die met felrode lippenstift in levende lijve voor hem staat. Stomverbaasd luister ik naar zijn verhaal. Mijn geduld is verdwenen en geagiteerd leg ik hem uit dat hij mensen zo niet kan behandelen, en dat ik er erg van geschrokken ben. Dat ik hem niet had gehoord, bij het uitstappen, omdat ik haast had, en in gedachten was. De man wuift dit schamper lachend weg, niks haast, niks geen gedachten. Ik wílde hem niet horen. Omdat ik een stomme feminist ben. Met mijn arrogante kop. Punt uit. ‘Vrouwen zoals u, willen niets van mannen weten,’ roept hij brallerig. Ik antwoordt dat áls dit al zo is, dat dit komt door mannen zoals hij. Met hun machtsvertoon, hun mannetjesgedrag. Ik merk dat mijn stem luider wordt en mijn benen trillen nu ook. ‘Zie je wel,’ roept het mannetje verheugd, ‘wat ik zei, een stomme feminist, dát bent u, zoals al die vrouwen tegenwoordig.’

Dan wordt het me teveel. Boos stamp ik het winkelcentrum uit, onderwijl roepende dat ie een ouwe gek is, met zijn lulpraat. Achter me hoor ik hem mopperen. Dat die vrouwen van nu geen fatsoen meer hebben. 

dinsdag 10 mei 2016

Aan alle Henken van Nederland

Midden in de nacht, nét als mijn ogen eindelijk willen dichtvallen, ploinkt mijn mobiel. Weer. Facebook Messenger. Ene Henk. Henk stuurt mij een foto waarop hij in een fabrieksachtige ruimte staat. Hij draagt slechts een lang wit plastic schort en een zonnebril. In zijn hand een gele opgerolde tuinslang. 'hey Johanna, heb je nog iets leuks meegemaakt' staat ernaast geschreven. Voor de duidelijkheid: ik ken geen Henk.
Verbijsterd staar ik naar mijn mobiel. Het schort, de zonnebril en de tuinslang zijn eigenlijk te groot voor Henk. Hij verzuipt erin. Daarnaast heeft hij behoorlijke flaporen. Ik vermoed dat die ervoor zorgen dat Henk niet omvalt. Iets met natuurlijk evenwicht.

Slapen lukt niet meer. Al die schriele wanhoop in slechts een schort. Het komt hard binnen. Terwijl ik toch best wat kan hebben. Ergens in mijn hoofd wordt een ophaalbrug omhoog getakeld. Ik wil dit niet zien. Ik wil niet dat mannen mij dit soort ellende sturen terwijl ik onschuldig in mijn fijne bedje lig, en denk aan de leuke moederdag die ik afgelopen weekend had. Of aan hoofdstuk 8 van mijn boek, waar ik morgenvroeg vers aan ga beginnen.Misschien denkt Henk een goddelijk lichaam te hebben. Ziet hij niet dat hij, met die witte spillepootjes onder dat plastieken schort, meer op een sneue versie van Walter White of op een kampbeul lijkt. Waarom doen mannen dit? Vrouwen sturen nooit zulke rare dingen, op een handjevol koekwausen na. Denken die Henken nou echt dat ik midden in de nacht aan een blote man in een schort met een zonnebril op zijn hoofd en een tuinslang in zijn hand leuk ga vertellen wat ik allemaal heb gedaan de afgelopen week? Dus bij deze, voor alle Henken van Nederland: Tieft op! Houd op met ploinken! Ga je moeder midden in de nacht liggen ploinken! Je zus! Maar laat mij met rust!  


dinsdag 3 mei 2016

De bikiniman

Mijn dochter en ik zitten op een bankje voor het station te wachten op mijn zoon, die elk moment met de trein kan aankomen. Het zonnetje schijnt op onze koude lentehoofden, we babbelen wat, eten een broodje, en ik constateer tevreden dat als het leven mij af en toe van dit soort dagen toeschuift, ik het best te pruimen vind.
Dan mijn mobiel. FB Messenger. Ploink: Heb je je bikini al aan? Ploink: Mooi bikiniweer, vind je niet? Ploink: Wat ik zeg, bikiniweer. Ploink: Heb je hem al aan, ja, je bikini? Ploink: In de tuin? Ploink: Of heb je geen tuin. Ploink: Zit je met je bikini op je balkon? Ploink: Mooi toch. Ploink: Bikiniweer. Ik bekijk de afzender. Een oudere man met een woest wanhopige blik staart van onderen af geselfied in de camera. Ondertussen ploinkt hij lekker door. Over bikini’s. Nooit las ik het woord bikini zo vaak achter elkaar. Ik zie mijn vintage badpak met stippen voor me. Want ik heb niet eens een bikini. En na twee bevallingen, buikoperaties en een fiks myoom in mijn buik die over drie weken door dr Braat -geen grapje- in het UMC wordt weggebrand, gaat die er ook niet komen. Ploink: Is ie rood? Je bikini? Ploink: Of zwart. Ook mooi. Lekker weer hè? Ploink: Toch? Niet dan?

‘Je kunt mensen ook blokkeren hè,’ zegt de dochter. Ja, maar hoe. Thuis op de laptop lukt dat wel, maar hier met mijn mobiel in de zon snap ik er geen hout van. Ploink: Ben je al bruin? Ploink: In je bikini? Ik krijg moordneigingen. Alle wanhopige mannen met selfies van onderen af gemaakt moeten dood. Dan weer een ploink. Ik moet wat terugzeggen. Iets gemeens. Dat de wanhopige man nog wanhopiger wordt en hard huilend de FB berichtenbox verlaat. Met zijn kutbikini’s. Ik besluit de chat alvast te openen, dan komen de woorden vanzelf wel. Tegelijkertijd zie ik het vrolijke hoofd van mijn zoon oppoppen. Hij heeft een omgekeerde doos op zijn hoofd. ‘Ik ben er bijna,’ schrijft hij. 

De dochter naast me vraagt of ik een shaggie wil draaien. En of ik van de zomer een paar dagen mee wil naar Berlijn. Ik antwoord dat mij dit geweldig lijkt. In de auto vertelt zoon de overeenkomsten tussen Kierkegaard en The Matrix. En dat als je Kierkegaard goed leest, het helemaal niet zo deprimerend is. Misschien geldt dat ook voor de bikiniman. Is hij in werkelijkheid helemaal geen wanhopige man met onderkinselfies. Speelt hij er één. Stuurt hij die bikinishit gewoon vanuit zijn luie stoel bij een zwembad in Ventimiglia, terwijl zijn vrouw met een knijper op haar neus baantjes trekt. De bikiniman zwijgt. Misschien heeft zijn vrouw haar knijper eraf gezwommen, loopt al het water haar longen binnen en moet hij haar reanimeren. Heeft hij hulp nodig. Bikiniman, tik ik, bikiniman, heb je hulp nodig? Maar het blijft stil. 

woensdag 20 april 2016

Herman Koch: ‘De Nederlandse literatuur is een Blanke Man’

Helaas, ook dit jaar laten vrouwelijke schrijvers het massaal afweten bij het schrijven van het Boekenweekgeschenk. Ondanks het feit dat Nederland barst van het vrouwelijk literair talent en de meeste lezers vrouw zijn, was er ook dit jaar (weer) geen enkele dame voor het klusje te porren. Slechts twee auteurs wisten er in de afgelopen 16 jaar tijd voor vrij te maken: Anna Enquist (2002) en Esther Gerritsen (2016). Ik besluit Herman Koch, schrijver van het Boekenweekgeschenk 2017, op te bellen en te vragen wat hij hier van vindt.

Kutklusje
‘Ik vind het een slechte zaak,’ antwoordt een duidelijk diep teleurgestelde Herman Koch. ‘Nu moet IK dat kutklusje weer opknappen, terwijl schrijfsters als Mensje van Keulen bijvoorbeeld, Margriet de Moor of Vonne van der Meer ook een grote staat van dienst hebben. Zij zouden, net als al die andere talentvolle vrouwelijke schrijvers wel eens wat meer verantwoordelijkheid mogen nemen. Ze tonen geen karakter, weet je. Je ziet het ook in het zakenleven of de politiek, waar vrouwen het altijd overlaten aan de Blanke Man. Ik weet niet wat het is met die wijven. Waar zijn ze dan zo druk mee, vraag ik me af. Kinderen? Koken? Mannen? Dakpannen beschilderen? Lekker makkelijk weer hoor, dames.’

Maar 29.000 woorden
‘En er zijn talentvolle vrouwen genoeg,’ buldert Koch verder, ‘daar ligt het niet aan. Ze drukken zich gewoon. Elk jaar weer. Wat ik maar zeggen wil: Nelleke Noordervliet, Helga Ruebsamen, Pauline Slot, Hanna Bervoets, Jannah Loontjens, Judith Koelemeijer, Susan Smit, Charlotte Mutsaers, Connie Palmen, Astrid Roemer, Vonne van der Meer, Franca Treur, Carolijn Visser, Frida Vogels, Sanneke van Hassel, Rosita Steenbeek, Maartje Wortel, Marie Kessels, Margriet de Moor, Wanda Reisel, Marja Pruis, Marente de Moor, Annelies Verbeke, Jessica Durlacher, Marion Bloem, Fleur Bourgonje, Paulien Cornelisse, Mensje van Keulen, Annejet van der Zijl, Joke van Leeuwen, Marieke Groen, Manon Uphoff, Elsbeth Etty, Joke Hermsen, Lieve Joris, etc, etc, wees volgend jaar nou eens een beetje sportief en zeg gewoon “ja” als ze je vragen. Het zijn maar 29.000 woorden, godbetert. Bij uitstek een vrouwenafstand. Het klinkt ook wijverig hé, "novélle". Dus, huppakee. Aan de slag. Zo moeilijk is het allemaal niet.’

donderdag 31 maart 2016

Ieder zijn eigen kuil

Op deze foto lach ik nog (al is het als een boer met kiespijn) menszen, maar inwendig huil ik. T'is natuurlijk een bericht van niks, in deze bloederige aanslagenwereld, dat snap ik ook wel, en het zal jullie allemaal je reet oxideren, maar in de wereld van JG is het nogal wat. Ik sta hier namelijk op mijn pad. MIJN pad in Radio Kootwijk, vlakbij de plek waar ooit mijn hutje stond en waar ik ’s nachts dolgelukkig naar het burlen der herten luisterde. (Wie het geluid van geile herten niet kent, heeft niet geleefd.)

Afijn, dit pad dus. Sedert 247 jaar loop ik hier zo vaak als ik maar kan. Sterker, ik liep hier al toen ik nog niet bestond. Het pad nog niet bestond. Het pad en ik nog niet geboren waren. En als ik dood ben loop ik hier nog. Zo’n pad.

Nu komt het.

ER ZIJN STROOMDRAADHEKKEN OM MIJN PAD GEPLAATST! EN ER ZIT EEN KUIL IN!

Dit is allemaal heel erg. Ik kan er niet over uit. Waarom? Ik begrijp dat pad! Dat pad begrijpt mij! Wij maakten alles samen mee! Dat pad en ik. Ik en dat pad. Ik ben dat pad. Dat pad is mij. 

Internet leerde mij dat er wisenten naar de Veluwe komen. 80.000 jaar geleden schijnen die daar al rondgelopen te hebben, tussen het bochtige smele, de dekzandruggen. Het feit dat ze dat inmiddels niet meer doen zegt mij genoeg, misschien was de combinatie Veluwe en wisent gewoon niet zo’n gelukkige, maar nee, we gaan het tig duizend jaar later gewoon nóg eens proberen.

De Veluwe is groot. Dagen (nou ja, twee toch zeker wel) kun je er lopen zonder iemand tegen te komen en nergens botst je blik tegen menselijk falen op. Geen lantaarns, geen lichtvervuiling, geen niks niet. Er zijn herten, wilde zwijnen, raven, dassen, moeflons, reeën, kadavervelden, etc. Me dunkt dat dit genoeg is. Maar nee, dachten ze bij Staatsbosbeheer, er moet een bison bonasus bij. Een evenhoevige uit de familie der holhoornogige. Een bizon achtige. Kortom een wisent. Dat is leuk voor de mensen. Weet je wat? We zetten ze uit op het JG pad. Dat pad waar nooit iemand komt, behalve die rare in zichzelf pratende vrouw met die lange zwarte jas tot aan d’r enkels die leeuweriken nadoet of als een debiel staat te springen op het (immer verende) konijnenpad.

Over een paar weken komen ZE. Mijn pad is inmiddels omheind met speciale schrikdraadhekken. Herten kunnen eroverheen, dassen eronderdoor, maar geen JG die daar doorheen komt. Op de plek waar vorig jaar de leeuweriken nog zenuwlijerig boven het bochtige smele twinkeldingesten om hun nesten te beschermen ligt nu een vers gegraven kuil. Wisenten schijnen graag zandbaden te nemen. Het voorheen zo ongerepte landschap rondom mijn geliefde pad doet inmiddels denken aan het strand bij Scheveningen waar elke Duitser zijn eigen kuil heeft.


Ik heb waardig afscheid genomen van mijn pad. Heb het gegroet, bedankt en de rug toegekeerd. In de verte zag ik een dikke vette koekoek op een tak zitten die eigenlijk te klein voor hem was. Ik herkende direct de koekoek die denkt dat ie een heggenmus is. Het beest zat te koekoeën als een malle. Nooit eerder koekoekte hij zo hard, en dat weet ik, want die koekoek is ook van mij. Net als dat pad. Eigenlijk is de hele Veluwe van mij, maar dat weet Staatsbosbeheer nog niet, dus dat houd ik voorlopig stil.

Waarschijnlijk wilde de koekoek mij iets zeggen. Dat ik me niet zo debiel moest gedragen. Ik gewoon een andere boom moest zoeken om in te gaan zitten, kortom, moest doen alsof ik een heggenmus was. Dus bij deze. Je suis een koekoek. Een heggenmus, een wisent godbetert. Hopelijk helpt het een beetje.


donderdag 24 maart 2016

Abdou en de anderen

Schrijver Lammert Voos werkte in de jaren negentig van de vorige eeuw met vluchtelingen en asielzoekers. Hij maakte als medewerker van Vluchtelingenwerk en van het COA mee op welke manier in Kroatië en in Nederland kwetsbare  en beschadigde mensen gemangeld werden door de bureaucratie. Op 13 april verschijnt zijn boek.

Voos stelde vast dat het hem zelf ook niet lukte zuiver te blijven in die onzuivere wereld. Hij stopte na zeven jaar met het werken met vluchtelingen. Nu, in 2016, ziet hij hoe alles zich herhaalt: de mythes, de vooroordelen en argumenten, ze zijn niet veranderd. Net zo min als de problemen rond de opvang veranderd zijn.

In Abdou en de anderen vertelt Lammert Voos over de mensen die hij gekend heeft, niet over dossiers of nummers. Hij vertelt zeer persoonlijk over zijn onmacht en ontkracht op basis van zijn ervaringen uit de praktijk en feitenmateriaal de vooroordelen over migratie. Voos stelt dat Nederland een keuze heeft: blijft men hangen in machteloos populisme of pakt men het probleem op humane wijze aan? Abdou en de anderen is een meeslepend, eerlijk pleidooi voor een benadering van het vluchtelingenprobleem waarbij solidariteit het wint van hypocrisie en bureaucratie:
De onmacht snijdt me nog steeds door de ziel. (...) Ik leef ik in een bijna permanente staat van déjà vu: de onfrisse sentimenten, de hartverwarmende initiatieven, berichten in de media over misstanden in vluchtelingenkampen zoals geweld en prostitutie, ik heb het allemaal eerder gezien en gehoord, het is niets nieuws. Maar ik voel me weer net zo machteloos als toen en de vervreemding slaat toe: de verwarring is dezelfde, het lichaam en de geest zijn twintig jaar ouder.
Lammert Voos  (Eenrum, 1962) is dichter, schrijver en docent poëzie aan de Schrijvers Vakschool te Groningen. In de jaren tachtig was hij zanger van New Wave/Punkband Umberto di Bosso é Compadres. In de jaren negentig werkte hij met vluchtelingen en schreef in diverse bladen over alternatieve popmuziek. Hij publiceerde vier dichtbundels, waarvan een in Gronings dialect, drie boeken met kort proza en een roman. Van 2011 tot 2013 was hij stadsdichter van Deventer. De fotografie in Abdou en de anderen is een keuze uit de prijswinnende serie ‘Shelter’ van  Henk Wildschut, over het vluchtelingenkamp bij Calais. Wildschut kreeg er de Dutch Doc Award voor in 2011.
Meer informatie via AFdH Uitgevers, Paul Abels 053-4362134 of 06-10942443 of info@afdh.nl

vrijdag 11 maart 2016

Dood te koop (der Tod ist ein Meister aus Deutschland)


Vier weken geleden lag ik bij mijn huisarts op de behandeltafel. Mijn buik stak pront omhoog en als je niet beter wist zou je denken dat ik (op mijn 47e, jawel) in blijde verwachting was. De dokter voelde, keek zorgelijk en zei dat er een myoom in mijn buik zat ter grootte van een meloen. Vijftien centimeter in diameter en twee kilo zwaar. Hoe lang ik hier al mee rondliep, godbetert. Ik antwoordde dat hij in korte tijd heel groot was geworden. En dat mijn kekke jurkjes ineens niet meer zo kek stonden omdat mijn buik er nog amper inpaste. 
‘Myomen zijn eigenlijk altijd goedaardig,’ zei mijn huisarts.           
‘Het komt maar zelden voor dat ze kwaadaardig worden.’ 
‘Hoe weet je of een myoom kwaadaardig is?’ vroeg ik timide.
‘Als ze in korte tijd heel snel groeien.’

Het is gek, maar ik stelde mezelf al jaren voor hoe zo'n ‘slechtnieuwsgesprek’ zou gaan. Dan zag ik mezelf in gedachten bij de dokter zitten bijvoorbeeld, terwijl ik ondertussen gewoon in de rij bij de appie stond, met een mandje vol boodschappen in mijn hand. Hoe zou ik reageren? Koelbloedig? Paniekerig? Zou ik janken? Tss, nee, dat laatste zeker niet.

In de auto barstte ik in een kort en heftig janken uit. Het klonk vreemd. Een onbekend soort janken was het en ondanks de paniek bestudeerde ik mezelf als een antropoloog die zojuist een nieuwe stam had ontdekt. Koelbloedig. Ik belde mijn geliefde en hoorde aan zijn stem dat het allemaal zeer echt was wat er gebeurde. Er had een heus slechtnieuwsgesprek plaatsgevonden en er was een gerede kans dat er kwaadaardigheid in mij groeide. In de rij bij de appie had de hoofdpersoon in mijn ‘slechtnieuwsgesprek-scenario’ nooit jankend op de parkeerplaats van de dokter gestaan. Tegen die tijd stond ik namelijk allang mijn boodschappen op de band te laden, of zocht ik mijn bonuskaart.
      ‘Joehoe,’ riep ik naar boven, ‘er is een fout gemaakt, jongens hallo, dit komt niet goed uit. Ik heb kinderen die mij nodig hebben, een boek dat af moet, heb net drie jaar geleden de liefde van mijn leven gevonden en nog nooit een literaire prijs ontvangen. Om maar iets te noemen.'

Thuis bestelde ik kordaat vijf potten voedingssupplementen op internet die mijn myoom moesten doen laten slinken en besloot een hormonenvrij dieet te gaan volgen. Controle wilde ik. Mijn lichaam moest weten wie hier de baas was. Wat nou kwaadaardig. Ik was verdomme al twee keer eerder bijna de pijp uit gegaan, overleefde de meest rare shit en joeg al jaren -ondanks een serieus bloedstollingsprobleem dat ervoor zorgt dat mijn bloedvaten als kloppende tijdbommen door mijn lichaam lopen -  als een snelheidsduivel met ware doodsverachting over ’s Heeren wegen. En dan zou Joep Meloen hier, die nota bene net kwam kijken, de boel even komen verzieken. Echt niet. Dus stopte ik met het eten van suiker, zuivel, rood vlees en tarwe, viel kilo’s af (zodat mijn myoom nog zichtbaarder werd) at alleen nog maar biologisch en vertelde mijzelf tig keer per dag in de spiegel dat ik de baas was, hiero. Ik. Als in IK dus. Verder ging ik als een dolle mijn huis uitmesten en zette alles wat overbodig was op Marktplaats, waaronder een oude Duitse Meister naaimachine uit 1970.

Intussen wachtte ik gelaten de echo (die pas over drie en een halve week zou plaatsvinden) af, vertelde slechts een handjevol mensen wat er gaande was en schreef als een bezetene verder aan Radio Mölköl, mijn boek in wording waarin –hoe wrang-  een verborgen radiozenddorp op de heide wordt blootgesteld aan straling die onder de bevolking kanker veroorzaakt. Het deed me denken aan Mahler die twee kinderen verloor na het schrijven van zijn Kindertotenlieder. Zou je die dingen dan toch over jezelf afroepen? Bestond er niet zoiets als ‘onschuldig schrijven’? 

Nadat ik van de eerste schrik was bekomen begon ik mijn toestand te relativeren. Het zou allemaal wel meevallen. Ik googelde me een ongeluk. Het mooie van internet is, je kunt er alles vinden. Bewijs voor het bestaan van buitenaards leven? Wordt voor gezorgd. Chemtrails? Graancirkels? Talloze sites met schreeuwende hoofdletters en zinnen die als langgerekte panoramafoto’s je beeldscherm vullen, staven jouw vermoedens. ZE BESTAAN! ECHT WAAR! Zo ook positieve prognoses voor baarmoederkanker. Ik leerde er bijvoorbeeld dat de baarmoeder van Evelien uit Tuitjehorn eruit zag alsof hij ‘een voetbal had ingeslikt’. Wekenlang had Evelien in spanning gezeten (Net als ik! Net als ik!), snelgroeiende tumoren waren tenslotte vaak kwaadaardig, maar het was uiteindelijk toch goed gebleken. Een uur later daarentegen vond ik een bericht van Wendy, die met zo’n zelfde bal in haar buik zat en nog een maand te leven had. Tja.

Soms deed ik onverwachte dingen. Zo riep ik tijdens het stofzuigen bijvoorbeeld een keer heel hard ‘Ik wil niet dood!’ Daar schrok ik van. Zou ik gek worden? Ik zie vaak dingen die er niet zijn. Muizen, ratten, spinnen die over muren rennen, Jezus of Maria tegen een helblauwe lucht, ik draai er mijn hand niet voor om, maar nooit eerder riép ik dingen, zomaar uit het niets.

Er was ook geruststelling. Na mijn bezoek aan de dokter droomde ik over een diep en donker bos. De lucht was er vochtig, mossig en rook kruidig, als een beginnende herfst. Aan weerskanten van de keurig aangeharkte paden lagen herten te slapen. Als ik langsliep keken ze op, knikten me gemoedelijk toe en gingen weer verder slapen. Allen waren misvormd. Herten met hamerhaaihoofden, voetbalbuiken, slangenstaarten. Hun vachtjes en ogen echter waren zacht en levend. 

Op Vrouwendag zat ik met mijn geliefde, meneer K, in de wachtkamer van de gynaecoloog voor De Echo. Mijn telefoon bliepte. Er meldde zich een koper voor de naaimachine die ik al weken op Marktplaats had staan, de oude Meister uit 1970. Toen ik dit aan meneer K vertelde reageerde hij zeer opgetogen. Voordat ik kon vragen waarom werd ik opgeroepen en rende ik de behandelkamer binnen. Eindelijk zou ik te horen krijgen dat alles goed kwam. Want dat het goed kwam wist ik zeker. De gynaecoloog keek in mijn dossier en las hardop de afmetingen van mijn myoom voor. Ze keek zorgelijk en zei dat een myoom van dit formaat eigenlijk altijd kwaadaardig was. En dat er dus snel een MRI moest worden gemaakt. Ik zou dan ook geopereerd moeten worden, maar hoe moest dat met mijn bloedstollingsprobleem? Bij eerdere ingrepen was ik in een shock geraakt vanwege overmatig bloedverlies. Kortom, alle steigers die ik in de afgelopen weken zorgvuldig rond mijn ‘hoop op een goede afloop’ had opgebouwd flikkerden tegelijkertijd omver. Okay, dit was het dan. Tabee, toedeledokie. Verkeerd gegokt, jammer dan, helaas, pindakaas.

Toen kwam er een echo. Er ging blauwe gel in een condoom, of ik allergisch voor latex was? Nee. Er ging een staafding in mij, niet schrikken, nee, natuurlijk niet, ik ben wel wat gewend, schiet nou maar op. Een hoop gefrut, gedraai en een oorverdovende stilte op het ernstig zoemen van het echoapparaat na. Boven mijn hoofd hing een scherm. Ik keek recht mijn baarmoeder in. Joep leek op een inktvis. De gynaecoloog legde uit dat een kwaadaardige tumor vlekkerig was. Ik zag geen vlekken. Daarna wel honderd. Mijn hart begaf het bijna. Toen, na een eindeloos durende minuut de verlossende woorden: ‘Het is goed.’

Het hele behandelplan is aan mij voorbij gegaan. Opereren, medicijnen, hormonen, embolisatie, geluidsgolven, ik vond alles best. Desnoods bleef Joep zitten waar die zat. Wat kon mij het het schelen. Ik ging niet dood. Ik zou volgend jaar gewoon voor de 49e keer jarig worden, nog honderd keer naar Berlijn gaan, genieten van mijn kinderen, kleinkinderen en de liefde van mijn leven. De laatste vijf hoofdstukken van mijn boek afschrijven en alle literaire prijzen van de wereld winnen (in your dreams, baby). De print van de echo kreeg ik mee ‘voor boven de bank’. Stralend, alsof het een vier maanden oud babywonder was, liet ik Joep aan meneer K zien. De mensen in de wachtkamer lachten vertederd. Altijd mooi, nieuw leven.

In de auto legde meneer K uit waarom hij zo blij werd toen bleek dat iemand de Meister naaimachine -juist op dat cruciale tijdstip-wilde kopen. Elke keer als hij dat kreng zag staan moest hij denken aan de ‘Todesfuge’, het gedicht van Paul Celan waarin de zin: ‘Der Tod ist ein Meister aus Deutschland’ meerdere malen voorkomt. Als die naaimachine nu maar snel verkocht werd, had hij bedacht, zou ik blijven leven.

Tot zover de kosmos en zijn zogenaamde krachten want diezelfde middag meldde de koper zich alweer af en sleepte meneer K de dood (dan maar eigenhandig) naar de schuur. Daar staat hij nu. Tussen de muizen. Te wachten op een koper.

maandag 15 februari 2016

Overleven op de Veluwe ( platteland versus de randstad)

Deze column verscheen eerder in De Nieuwe Veluwe : 

Soms moet ik in den lande voordragen. Aangezien literaire bijeenkomsten en boekpresentaties vaak in grote steden worden georganiseerd maak ik veel kilometers. Ik vind dat niet erg, in een klein land als Nederland ligt tenslotte alles dicht bij elkaar, maar in de grote stad denken ze daar anders over. Zij ZIJN namelijk Nederland en alles daarbuiten is één groot verlaten poolgebied, vulkaanlandschap of een uitgestrekte toendra waar hier en daar een inwoner rondscharrelt met een hoog voorhoofd en een bot door zijn neus.
Bij aankomst word ik meestal meewarig bekeken en van top tot teen gepolst. Ik heb toch niets aan de monstertocht overgehouden?  Geen blijvend letsel? Bevriezingsverschijnselen, scheurbuik, bloedende voeten? Alsof ik zojuist met een klipper uit Nova Zembla ben komen varen. Ik wuif de bezorgde opmerkingen altijd wat lacherig weg maar dat maakt het eigenlijk alleen maar erger. Ineens ben je niet meer slechts het slachtoffer van de barre tocht, nee, je bent een held door de koelbloedige manier waarop je de ontberingen hebt ondergaan. Dikke kans dat ze bij de aankondiging voor je optreden ook nog vermelden dat ‘we zeer vereerd zijn met de komst van Johanna Geels, die tenslotte hélemaal uit de Veluwe is gekomen’. Bij dat laatste gaat er nogal eens een diepe zucht door de zaal. De Veluwe! De blikken worden dromerig. Waarschijnlijk zien ze me nu op de rug van een Schotse Hooglander zitten die mij tot aan de grens van het bos brengt, mij van zijn rug laat glijden en bromt, ‘nu moet je het verder alleen doen, kind’.
Soms gaat het er harder aan toe. Een paar jaar geleden bijvoorbeeld moest ik optreden tijdens de Boekennacht, in Amsterdam. Een bekende schrijfster riep tijdens een gesprek dat ik met haar voerde enthousiast dat ze nog nooit iemand met zo’n achterlijk accent had gehoord. Ze keek me aan alsof ik uit een aflevering van Swiebertje kwam gelopen. En dat terwijl ik helemaal niet wist dat ik een accent hád. Later bleek ze zelf uit Deventer te komen, dus wellicht verklaart dat een en ander. Iets met de pot en de ketel en zo.
Of een paar maanden geleden, toen ik bij een radioprogramma van de publieke omroep moest verschijnen. Een redactielid loodste me door een überhip kantoor met kaal beton en perzische kleden naar de opnamestudio en vroeg onderwijl waar ik vandaan kwam. ‘Apeldoorn,’ zei ik. Hij keek stil voor zich uit, het was duidelijk dat hij een hip stadsdeel van A’dam had verwacht en niet een achterlijke gemeente in de provincie Gelderland. Toen legde hij een hand op mijn schouder en mompelde dat het niet gaf. Ik antwoordde dat Gelderland anders heel prachtig was hoor, en ik roemde de hei bij Radio Kootwijk, de zandverstuiving, de uitgerekte bossen, maar het gleed van hem af als water van een eend.

Afijn. Ik heb het maar opgegeven. Voortaan zeg ik gewoon dat ik ‘op de grens van Oost’ woon. Dat doet het in elke stad goed, men vraagt nooit verder en feitelijk is er geen woord van gelogen.