zondag 21 februari 2016

Over de eigenschappen van (onder andere) melk

Vannacht rende ik door de gangen van een Pools opvoedingsgesticht langs kamers waar jongens gitaar speelden. Ze droegen felgekleurde hemden en neurieden melodieën die op oude psalmen leken. Een jongen -die hoogstwaarschijnlijk nog nooit van kerkscheuringen had gehoord- stak zijn hoofd om zijn deur en vroeg waarom ik de hele tijd in cirkels liep. ‘Omdat de gang rond is!’ riep ik nogal hysterisch. ‘Altijd maar rond, telkens weer, snap je dat dan niet!’

Hoofdschuddend pakte hij zijn gitaar, gemaakt van wajangpoppenhout en kattendarmen. Toen ik voor de driehonderdste keer langs zijn deur rende schreeuwde hij dat ik meer melk moest drinken. Ook bij de vierhonderdste, de vijfhonderdste keer waarna alle jongens met de vrolijke hemden in het Poolse opvoedingsgesticht begonnen te zingen over melk en zijn goede eigenschappen. Voor de duidelijkheid, ik lust geen melk.

‘Melk houdt alles bij elkaar’ was de strekking van het lied en één jongen humde er in tweede stem -als de pulseerknop van een keukenmachine- tussendoor: ‘HOUTook, HOUTook’. ‘Hout’ zong hij heel hard en ‘ook’ heel zacht waardoor het een beetje op het geluid van een vogel leek. De pulseervink bijvoorbeeld, of de gemuteerde koekoek. Dat zei ik tegen hem, maar hij schudde lachend zijn hoofd waar ik direct een uitgang in herkende, om precies te zijn in het gootje tussen zijn neus en zijn mond, als een skischans of een futuristisch gebouw van onderaf gezien.

dinsdag 16 februari 2016

Waarom ik vandaag de halve dag met een kapotte pan over straat liep

Vanmorgen vroeg stond ik om negen uur voor het Blokkerfiliaal bij ons op het plein. Aan mijn arm hing een tas met een oude pan erin. Een wok om precies te zijn. Hij had een gebroken steel en de 15 jaar oude anti-aanbaklaag was flink bekrast. Op internet kun je overal lezen dat je daar kanker van krijgt. Ik wil geen kanker. De tas was eigenlijk te klein voor de pan zodat hij er een stukje uitstak. Ik vond dat stom staan, wie loopt er nou om negen uur met een kapotte pan over straat? In de winkel mocht ik de oude pan inruilen voor een nieuwe, een échte volgens de reclameborden. Ik kreeg dan 30% korting. De Blokkermedewerkster kon de 30% knop niet vinden. Ze tikte allerlei codes in, belde met hoofdkantoren maar het lukte niet. Ze zei dat ik beter naar een ander filiaal kon gaan. Het filiaal 5 kilometer verderop had de echte pan niet op voorraad. Ik wilde namelijk de grijze granieten. ‘Die wil iedereen,’ riep de winkelmevrouw verwijtend. Bleu stond ik met mijn kapotte neppan in haar winkel. Ik schaamde me een beetje. De mevrouw van het filiaal 10 km verderop zag me binnenkomen met de tas waar een stukje neppan uitstak en begon al bij voorbaat geïrriteerd te wuiven. Alle echte pannen uitverkocht. Doei, doei. Ik voelde me een asielzoeker die op het strand bij Griekenland was aangespoeld. 

Thuis zette ik de kapotte pan terug op het fornuis. Dan maar kanker. Ik begon aan mijn boek te werken en kikkerde daar erg vanop. Maar in mijn middagpauze, toen ik een omelet stond te bakken in die kapotte neppan, vond ik dat ik toch nog 1 poging moest wagen. Ik belde de Blokker en vertelde dat ik de granieten wok zocht. De echte. De mevrouw klonk boos. ‘Bent u diezelfde mevrouw die in de winkel kwam vanmorgen met een kapotte pan? Ik zei toch dat de granieten echte pannen uitverkocht waren?’ Geschrokken keek ik naar het nummer in het schermpje, ik had inderdaad per ongeluk het filiaal gebeld waar ik die ochtend al eerder was geweest. ‘Zometeen ga ik alles uitpakken ja? En dan bent u morgenvroeg de eerste.’Ze klonk overspannen. Ik zag voor me hoe ze in het magazijn  stond, tussen honderden dozen echte pannen en hoe honderden mensen in de winkel schreeuwden om die ene granieten wok.

Later spoelde ik de onechte pan af, hield hem vast aan zijn stompje. Ik poetste extra voorzichtig om de losgelaten anti-aanbaklaag heen en zette hem terug op het fornuis. Toen ik zojuist de keuken binnenliep was hij weg. Ik belde de Blokker en zei dat ik geen onechte pan meer had om te ruilen tegen een echte, en of een lege zak ook okay was omdat een onechte pan tenslotte geen pan was. Boos gooiden ze de haak erop. 

maandag 15 februari 2016

Overleven op de Veluwe ( platteland versus de randstad)

Deze column verscheen eerder in De Nieuwe Veluwe : 

Soms moet ik in den lande voordragen. Aangezien literaire bijeenkomsten en boekpresentaties vaak in grote steden worden georganiseerd maak ik veel kilometers. Ik vind dat niet erg, in een klein land als Nederland ligt tenslotte alles dicht bij elkaar, maar in de grote stad denken ze daar anders over. Zij ZIJN namelijk Nederland en alles daarbuiten is één groot verlaten poolgebied, vulkaanlandschap of een uitgestrekte toendra waar hier en daar een inwoner rondscharrelt met een hoog voorhoofd en een bot door zijn neus.
Bij aankomst word ik meestal meewarig bekeken en van top tot teen gepolst. Ik heb toch niets aan de monstertocht overgehouden?  Geen blijvend letsel? Bevriezingsverschijnselen, scheurbuik, bloedende voeten? Alsof ik zojuist met een klipper uit Nova Zembla ben komen varen. Ik wuif de bezorgde opmerkingen altijd wat lacherig weg maar dat maakt het eigenlijk alleen maar erger. Ineens ben je niet meer slechts het slachtoffer van de barre tocht, nee, je bent een held door de koelbloedige manier waarop je de ontberingen hebt ondergaan. Dikke kans dat ze bij de aankondiging voor je optreden ook nog vermelden dat ‘we zeer vereerd zijn met de komst van Johanna Geels, die tenslotte hélemaal uit de Veluwe is gekomen’. Bij dat laatste gaat er nogal eens een diepe zucht door de zaal. De Veluwe! De blikken worden dromerig. Waarschijnlijk zien ze me nu op de rug van een Schotse Hooglander zitten die mij tot aan de grens van het bos brengt, mij van zijn rug laat glijden en bromt, ‘nu moet je het verder alleen doen, kind’.
Soms gaat het er harder aan toe. Een paar jaar geleden bijvoorbeeld moest ik optreden tijdens de Boekennacht, in Amsterdam. Een bekende schrijfster riep tijdens een gesprek dat ik met haar voerde enthousiast dat ze nog nooit iemand met zo’n achterlijk accent had gehoord. Ze keek me aan alsof ik uit een aflevering van Swiebertje kwam gelopen. En dat terwijl ik helemaal niet wist dat ik een accent hád. Later bleek ze zelf uit Deventer te komen, dus wellicht verklaart dat een en ander. Iets met de pot en de ketel en zo.
Of een paar maanden geleden, toen ik bij een radioprogramma van de publieke omroep moest verschijnen. Een redactielid loodste me door een überhip kantoor met kaal beton en perzische kleden naar de opnamestudio en vroeg onderwijl waar ik vandaan kwam. ‘Apeldoorn,’ zei ik. Hij keek stil voor zich uit, het was duidelijk dat hij een hip stadsdeel van A’dam had verwacht en niet een achterlijke gemeente in de provincie Gelderland. Toen legde hij een hand op mijn schouder en mompelde dat het niet gaf. Ik antwoordde dat Gelderland anders heel prachtig was hoor, en ik roemde de hei bij Radio Kootwijk, de zandverstuiving, de uitgerekte bossen, maar het gleed van hem af als water van een eend.

Afijn. Ik heb het maar opgegeven. Voortaan zeg ik gewoon dat ik ‘op de grens van Oost’ woon. Dat doet het in elke stad goed, men vraagt nooit verder en feitelijk is er geen woord van gelogen.