maandag 15 februari 2016

Overleven op de Veluwe ( platteland versus de randstad)

Deze column verscheen eerder in De Nieuwe Veluwe : 

Soms moet ik in den lande voordragen. Aangezien literaire bijeenkomsten en boekpresentaties vaak in grote steden worden georganiseerd maak ik veel kilometers. Ik vind dat niet erg, in een klein land als Nederland ligt tenslotte alles dicht bij elkaar, maar in de grote stad denken ze daar anders over. Zij ZIJN namelijk Nederland en alles daarbuiten is één groot verlaten poolgebied, vulkaanlandschap of een uitgestrekte toendra waar hier en daar een inwoner rondscharrelt met een hoog voorhoofd en een bot door zijn neus.
Bij aankomst word ik meestal meewarig bekeken en van top tot teen gepolst. Ik heb toch niets aan de monstertocht overgehouden?  Geen blijvend letsel? Bevriezingsverschijnselen, scheurbuik, bloedende voeten? Alsof ik zojuist met een klipper uit Nova Zembla ben komen varen. Ik wuif de bezorgde opmerkingen altijd wat lacherig weg maar dat maakt het eigenlijk alleen maar erger. Ineens ben je niet meer slechts het slachtoffer van de barre tocht, nee, je bent een held door de koelbloedige manier waarop je de ontberingen hebt ondergaan. Dikke kans dat ze bij de aankondiging voor je optreden ook nog vermelden dat ‘we zeer vereerd zijn met de komst van Johanna Geels, die tenslotte hélemaal uit de Veluwe is gekomen’. Bij dat laatste gaat er nogal eens een diepe zucht door de zaal. De Veluwe! De blikken worden dromerig. Waarschijnlijk zien ze me nu op de rug van een Schotse Hooglander zitten die mij tot aan de grens van het bos brengt, mij van zijn rug laat glijden en bromt, ‘nu moet je het verder alleen doen, kind’.
Soms gaat het er harder aan toe. Een paar jaar geleden bijvoorbeeld moest ik optreden tijdens de Boekennacht, in Amsterdam. Een bekende schrijfster riep tijdens een gesprek dat ik met haar voerde enthousiast dat ze nog nooit iemand met zo’n achterlijk accent had gehoord. Ze keek me aan alsof ik uit een aflevering van Swiebertje kwam gelopen. En dat terwijl ik helemaal niet wist dat ik een accent hád. Later bleek ze zelf uit Deventer te komen, dus wellicht verklaart dat een en ander. Iets met de pot en de ketel en zo.
Of een paar maanden geleden, toen ik bij een radioprogramma van de publieke omroep moest verschijnen. Een redactielid loodste me door een überhip kantoor met kaal beton en perzische kleden naar de opnamestudio en vroeg onderwijl waar ik vandaan kwam. ‘Apeldoorn,’ zei ik. Hij keek stil voor zich uit, het was duidelijk dat hij een hip stadsdeel van A’dam had verwacht en niet een achterlijke gemeente in de provincie Gelderland. Toen legde hij een hand op mijn schouder en mompelde dat het niet gaf. Ik antwoordde dat Gelderland anders heel prachtig was hoor, en ik roemde de hei bij Radio Kootwijk, de zandverstuiving, de uitgerekte bossen, maar het gleed van hem af als water van een eend.

Afijn. Ik heb het maar opgegeven. Voortaan zeg ik gewoon dat ik ‘op de grens van Oost’ woon. Dat doet het in elke stad goed, men vraagt nooit verder en feitelijk is er geen woord van gelogen.