donderdag 31 maart 2016

Ieder zijn eigen kuil

Op deze foto lach ik nog (al is het als een boer met kiespijn) menszen, maar inwendig huil ik. T'is natuurlijk een bericht van niks, in deze bloederige aanslagenwereld, dat snap ik ook wel, en het zal jullie allemaal je reet oxideren, maar in de wereld van JG is het nogal wat. Ik sta hier namelijk op mijn pad. MIJN pad in Radio Kootwijk, vlakbij de plek waar ooit mijn hutje stond en waar ik ’s nachts dolgelukkig naar het burlen der herten luisterde. (Wie het geluid van geile herten niet kent, heeft niet geleefd.)

Afijn, dit pad dus. Sedert 247 jaar loop ik hier zo vaak als ik maar kan. Sterker, ik liep hier al toen ik nog niet bestond. Het pad nog niet bestond. Het pad en ik nog niet geboren waren. En als ik dood ben loop ik hier nog. Zo’n pad.

Nu komt het.

ER ZIJN STROOMDRAADHEKKEN OM MIJN PAD GEPLAATST! EN ER ZIT EEN KUIL IN!

Dit is allemaal heel erg. Ik kan er niet over uit. Waarom? Ik begrijp dat pad! Dat pad begrijpt mij! Wij maakten alles samen mee! Dat pad en ik. Ik en dat pad. Ik ben dat pad. Dat pad is mij. 

Internet leerde mij dat er wisenten naar de Veluwe komen. 80.000 jaar geleden schijnen die daar al rondgelopen te hebben, tussen het bochtige smele, de dekzandruggen. Het feit dat ze dat inmiddels niet meer doen zegt mij genoeg, misschien was de combinatie Veluwe en wisent gewoon niet zo’n gelukkige, maar nee, we gaan het tig duizend jaar later gewoon nóg eens proberen.

De Veluwe is groot. Dagen (nou ja, twee toch zeker wel) kun je er lopen zonder iemand tegen te komen en nergens botst je blik tegen menselijk falen op. Geen lantaarns, geen lichtvervuiling, geen niks niet. Er zijn herten, wilde zwijnen, raven, dassen, moeflons, reeën, kadavervelden, etc. Me dunkt dat dit genoeg is. Maar nee, dachten ze bij Staatsbosbeheer, er moet een bison bonasus bij. Een evenhoevige uit de familie der holhoornogige. Een bizon achtige. Kortom een wisent. Dat is leuk voor de mensen. Weet je wat? We zetten ze uit op het JG pad. Dat pad waar nooit iemand komt, behalve die rare in zichzelf pratende vrouw met die lange zwarte jas tot aan d’r enkels die leeuweriken nadoet of als een debiel staat te springen op het (immer verende) konijnenpad.

Over een paar weken komen ZE. Mijn pad is inmiddels omheind met speciale schrikdraadhekken. Herten kunnen eroverheen, dassen eronderdoor, maar geen JG die daar doorheen komt. Op de plek waar vorig jaar de leeuweriken nog zenuwlijerig boven het bochtige smele twinkeldingesten om hun nesten te beschermen ligt nu een vers gegraven kuil. Wisenten schijnen graag zandbaden te nemen. Het voorheen zo ongerepte landschap rondom mijn geliefde pad doet inmiddels denken aan het strand bij Scheveningen waar elke Duitser zijn eigen kuil heeft.


Ik heb waardig afscheid genomen van mijn pad. Heb het gegroet, bedankt en de rug toegekeerd. In de verte zag ik een dikke vette koekoek op een tak zitten die eigenlijk te klein voor hem was. Ik herkende direct de koekoek die denkt dat ie een heggenmus is. Het beest zat te koekoeën als een malle. Nooit eerder koekoekte hij zo hard, en dat weet ik, want die koekoek is ook van mij. Net als dat pad. Eigenlijk is de hele Veluwe van mij, maar dat weet Staatsbosbeheer nog niet, dus dat houd ik voorlopig stil.

Waarschijnlijk wilde de koekoek mij iets zeggen. Dat ik me niet zo debiel moest gedragen. Ik gewoon een andere boom moest zoeken om in te gaan zitten, kortom, moest doen alsof ik een heggenmus was. Dus bij deze. Je suis een koekoek. Een heggenmus, een wisent godbetert. Hopelijk helpt het een beetje.


donderdag 24 maart 2016

Abdou en de anderen

Schrijver Lammert Voos werkte in de jaren negentig van de vorige eeuw met vluchtelingen en asielzoekers. Hij maakte als medewerker van Vluchtelingenwerk en van het COA mee op welke manier in Kroatië en in Nederland kwetsbare  en beschadigde mensen gemangeld werden door de bureaucratie. Op 13 april verschijnt zijn boek.

Voos stelde vast dat het hem zelf ook niet lukte zuiver te blijven in die onzuivere wereld. Hij stopte na zeven jaar met het werken met vluchtelingen. Nu, in 2016, ziet hij hoe alles zich herhaalt: de mythes, de vooroordelen en argumenten, ze zijn niet veranderd. Net zo min als de problemen rond de opvang veranderd zijn.

In Abdou en de anderen vertelt Lammert Voos over de mensen die hij gekend heeft, niet over dossiers of nummers. Hij vertelt zeer persoonlijk over zijn onmacht en ontkracht op basis van zijn ervaringen uit de praktijk en feitenmateriaal de vooroordelen over migratie. Voos stelt dat Nederland een keuze heeft: blijft men hangen in machteloos populisme of pakt men het probleem op humane wijze aan? Abdou en de anderen is een meeslepend, eerlijk pleidooi voor een benadering van het vluchtelingenprobleem waarbij solidariteit het wint van hypocrisie en bureaucratie:
De onmacht snijdt me nog steeds door de ziel. (...) Ik leef ik in een bijna permanente staat van déjà vu: de onfrisse sentimenten, de hartverwarmende initiatieven, berichten in de media over misstanden in vluchtelingenkampen zoals geweld en prostitutie, ik heb het allemaal eerder gezien en gehoord, het is niets nieuws. Maar ik voel me weer net zo machteloos als toen en de vervreemding slaat toe: de verwarring is dezelfde, het lichaam en de geest zijn twintig jaar ouder.
Lammert Voos  (Eenrum, 1962) is dichter, schrijver en docent poëzie aan de Schrijvers Vakschool te Groningen. In de jaren tachtig was hij zanger van New Wave/Punkband Umberto di Bosso é Compadres. In de jaren negentig werkte hij met vluchtelingen en schreef in diverse bladen over alternatieve popmuziek. Hij publiceerde vier dichtbundels, waarvan een in Gronings dialect, drie boeken met kort proza en een roman. Van 2011 tot 2013 was hij stadsdichter van Deventer. De fotografie in Abdou en de anderen is een keuze uit de prijswinnende serie ‘Shelter’ van  Henk Wildschut, over het vluchtelingenkamp bij Calais. Wildschut kreeg er de Dutch Doc Award voor in 2011.
Meer informatie via AFdH Uitgevers, Paul Abels 053-4362134 of 06-10942443 of info@afdh.nl

vrijdag 11 maart 2016

Dood te koop (der Tod ist ein Meister aus Deutschland)


Vier weken geleden lag ik bij mijn huisarts op de behandeltafel. Mijn buik stak pront omhoog en als je niet beter wist zou je denken dat ik (op mijn 47e, jawel) in blijde verwachting was. De dokter voelde, keek zorgelijk en zei dat er een myoom in mijn buik zat ter grootte van een meloen. Vijftien centimeter in diameter en twee kilo zwaar. Hoe lang ik hier al mee rondliep, godbetert. Ik antwoordde dat hij in korte tijd heel groot was geworden. En dat mijn kekke jurkjes ineens niet meer zo kek stonden omdat mijn buik er nog amper inpaste. 
‘Myomen zijn eigenlijk altijd goedaardig,’ zei mijn huisarts.           
‘Het komt maar zelden voor dat ze kwaadaardig worden.’ 
‘Hoe weet je of een myoom kwaadaardig is?’ vroeg ik timide.
‘Als ze in korte tijd heel snel groeien.’

Het is gek, maar ik stelde mezelf al jaren voor hoe zo'n ‘slechtnieuwsgesprek’ zou gaan. Dan zag ik mezelf in gedachten bij de dokter zitten bijvoorbeeld, terwijl ik ondertussen gewoon in de rij bij de appie stond, met een mandje vol boodschappen in mijn hand. Hoe zou ik reageren? Koelbloedig? Paniekerig? Zou ik janken? Tss, nee, dat laatste zeker niet.

In de auto barstte ik in een kort en heftig janken uit. Het klonk vreemd. Een onbekend soort janken was het en ondanks de paniek bestudeerde ik mezelf als een antropoloog die zojuist een nieuwe stam had ontdekt. Koelbloedig. Ik belde mijn geliefde en hoorde aan zijn stem dat het allemaal zeer echt was wat er gebeurde. Er had een heus slechtnieuwsgesprek plaatsgevonden en er was een gerede kans dat er kwaadaardigheid in mij groeide. In de rij bij de appie had de hoofdpersoon in mijn ‘slechtnieuwsgesprek-scenario’ nooit jankend op de parkeerplaats van de dokter gestaan. Tegen die tijd stond ik namelijk allang mijn boodschappen op de band te laden, of zocht ik mijn bonuskaart.
      ‘Joehoe,’ riep ik naar boven, ‘er is een fout gemaakt, jongens hallo, dit komt niet goed uit. Ik heb kinderen die mij nodig hebben, een boek dat af moet, heb net drie jaar geleden de liefde van mijn leven gevonden en nog nooit een literaire prijs ontvangen. Om maar iets te noemen.'

Thuis bestelde ik kordaat vijf potten voedingssupplementen op internet die mijn myoom moesten doen laten slinken en besloot een hormonenvrij dieet te gaan volgen. Controle wilde ik. Mijn lichaam moest weten wie hier de baas was. Wat nou kwaadaardig. Ik was verdomme al twee keer eerder bijna de pijp uit gegaan, overleefde de meest rare shit en joeg al jaren -ondanks een serieus bloedstollingsprobleem dat ervoor zorgt dat mijn bloedvaten als kloppende tijdbommen door mijn lichaam lopen -  als een snelheidsduivel met ware doodsverachting over ’s Heeren wegen. En dan zou Joep Meloen hier, die nota bene net kwam kijken, de boel even komen verzieken. Echt niet. Dus stopte ik met het eten van suiker, zuivel, rood vlees en tarwe, viel kilo’s af (zodat mijn myoom nog zichtbaarder werd) at alleen nog maar biologisch en vertelde mijzelf tig keer per dag in de spiegel dat ik de baas was, hiero. Ik. Als in IK dus. Verder ging ik als een dolle mijn huis uitmesten en zette alles wat overbodig was op Marktplaats, waaronder een oude Duitse Meister naaimachine uit 1970.

Intussen wachtte ik gelaten de echo (die pas over drie en een halve week zou plaatsvinden) af, vertelde slechts een handjevol mensen wat er gaande was en schreef als een bezetene verder aan Radio Mölköl, mijn boek in wording waarin –hoe wrang-  een verborgen radiozenddorp op de heide wordt blootgesteld aan straling die onder de bevolking kanker veroorzaakt. Het deed me denken aan Mahler die twee kinderen verloor na het schrijven van zijn Kindertotenlieder. Zou je die dingen dan toch over jezelf afroepen? Bestond er niet zoiets als ‘onschuldig schrijven’? 

Nadat ik van de eerste schrik was bekomen begon ik mijn toestand te relativeren. Het zou allemaal wel meevallen. Ik googelde me een ongeluk. Het mooie van internet is, je kunt er alles vinden. Bewijs voor het bestaan van buitenaards leven? Wordt voor gezorgd. Chemtrails? Graancirkels? Talloze sites met schreeuwende hoofdletters en zinnen die als langgerekte panoramafoto’s je beeldscherm vullen, staven jouw vermoedens. ZE BESTAAN! ECHT WAAR! Zo ook positieve prognoses voor baarmoederkanker. Ik leerde er bijvoorbeeld dat de baarmoeder van Evelien uit Tuitjehorn eruit zag alsof hij ‘een voetbal had ingeslikt’. Wekenlang had Evelien in spanning gezeten (Net als ik! Net als ik!), snelgroeiende tumoren waren tenslotte vaak kwaadaardig, maar het was uiteindelijk toch goed gebleken. Een uur later daarentegen vond ik een bericht van Wendy, die met zo’n zelfde bal in haar buik zat en nog een maand te leven had. Tja.

Soms deed ik onverwachte dingen. Zo riep ik tijdens het stofzuigen bijvoorbeeld een keer heel hard ‘Ik wil niet dood!’ Daar schrok ik van. Zou ik gek worden? Ik zie vaak dingen die er niet zijn. Muizen, ratten, spinnen die over muren rennen, Jezus of Maria tegen een helblauwe lucht, ik draai er mijn hand niet voor om, maar nooit eerder riép ik dingen, zomaar uit het niets.

Er was ook geruststelling. Na mijn bezoek aan de dokter droomde ik over een diep en donker bos. De lucht was er vochtig, mossig en rook kruidig, als een beginnende herfst. Aan weerskanten van de keurig aangeharkte paden lagen herten te slapen. Als ik langsliep keken ze op, knikten me gemoedelijk toe en gingen weer verder slapen. Allen waren misvormd. Herten met hamerhaaihoofden, voetbalbuiken, slangenstaarten. Hun vachtjes en ogen echter waren zacht en levend. 

Op Vrouwendag zat ik met mijn geliefde, meneer K, in de wachtkamer van de gynaecoloog voor De Echo. Mijn telefoon bliepte. Er meldde zich een koper voor de naaimachine die ik al weken op Marktplaats had staan, de oude Meister uit 1970. Toen ik dit aan meneer K vertelde reageerde hij zeer opgetogen. Voordat ik kon vragen waarom werd ik opgeroepen en rende ik de behandelkamer binnen. Eindelijk zou ik te horen krijgen dat alles goed kwam. Want dat het goed kwam wist ik zeker. De gynaecoloog keek in mijn dossier en las hardop de afmetingen van mijn myoom voor. Ze keek zorgelijk en zei dat een myoom van dit formaat eigenlijk altijd kwaadaardig was. En dat er dus snel een MRI moest worden gemaakt. Ik zou dan ook geopereerd moeten worden, maar hoe moest dat met mijn bloedstollingsprobleem? Bij eerdere ingrepen was ik in een shock geraakt vanwege overmatig bloedverlies. Kortom, alle steigers die ik in de afgelopen weken zorgvuldig rond mijn ‘hoop op een goede afloop’ had opgebouwd flikkerden tegelijkertijd omver. Okay, dit was het dan. Tabee, toedeledokie. Verkeerd gegokt, jammer dan, helaas, pindakaas.

Toen kwam er een echo. Er ging blauwe gel in een condoom, of ik allergisch voor latex was? Nee. Er ging een staafding in mij, niet schrikken, nee, natuurlijk niet, ik ben wel wat gewend, schiet nou maar op. Een hoop gefrut, gedraai en een oorverdovende stilte op het ernstig zoemen van het echoapparaat na. Boven mijn hoofd hing een scherm. Ik keek recht mijn baarmoeder in. Joep leek op een inktvis. De gynaecoloog legde uit dat een kwaadaardige tumor vlekkerig was. Ik zag geen vlekken. Daarna wel honderd. Mijn hart begaf het bijna. Toen, na een eindeloos durende minuut de verlossende woorden: ‘Het is goed.’

Het hele behandelplan is aan mij voorbij gegaan. Opereren, medicijnen, hormonen, embolisatie, geluidsgolven, ik vond alles best. Desnoods bleef Joep zitten waar die zat. Wat kon mij het het schelen. Ik ging niet dood. Ik zou volgend jaar gewoon voor de 49e keer jarig worden, nog honderd keer naar Berlijn gaan, genieten van mijn kinderen, kleinkinderen en de liefde van mijn leven. De laatste vijf hoofdstukken van mijn boek afschrijven en alle literaire prijzen van de wereld winnen (in your dreams, baby). De print van de echo kreeg ik mee ‘voor boven de bank’. Stralend, alsof het een vier maanden oud babywonder was, liet ik Joep aan meneer K zien. De mensen in de wachtkamer lachten vertederd. Altijd mooi, nieuw leven.

In de auto legde meneer K uit waarom hij zo blij werd toen bleek dat iemand de Meister naaimachine -juist op dat cruciale tijdstip-wilde kopen. Elke keer als hij dat kreng zag staan moest hij denken aan de ‘Todesfuge’, het gedicht van Paul Celan waarin de zin: ‘Der Tod ist ein Meister aus Deutschland’ meerdere malen voorkomt. Als die naaimachine nu maar snel verkocht werd, had hij bedacht, zou ik blijven leven.

Tot zover de kosmos en zijn zogenaamde krachten want diezelfde middag meldde de koper zich alweer af en sleepte meneer K de dood (dan maar eigenhandig) naar de schuur. Daar staat hij nu. Tussen de muizen. Te wachten op een koper.