dinsdag 31 mei 2016

Mosselmannen

Ik zou kunnen vertellen over de nare gevolgen van overmatig gebruik. Of hoe het kon gebeuren dat vijfendertig mensen onlangs tijdens een voetbalwedstrijd in Duitsland tegelijk door de bliksem werden geraakt. En dat ik tijdens het lezen van dat nieuws dacht dat God eigenlijk de grootste terrorist op aarde was. Over de mannen in mijn leven, die uiteindelijk bijna allemaal vreemd gingen, en dat ik soms geneigd ben te denken dat dit aan mij ligt. De wereldklok die exact tien centimeter van het midden op mijn schuurdak staat en elke milliseconde opnieuw onvermoeibaar  jouw en mijn plaats in het universum berekend. Een zoemend geluid afgeeft dat alleen wordt waargenomen door dieren en kinderen. Waarom grote mannen op kleine BMX-fietsen in het bos op zondagochtend altijd zo eenzaam lijken. Maar misschien kan ik beter vertellen over de dag dat de moezelmannen kwamen.

Die moezelmannen waren natuurlijk gewoon mosselmannen. Zoals in het liedje. Gele plastic pakken droegen ze, met bruine strepen als hommels. Ze roken naar het strand bij Sassnitz, die grauwe Duitse strook langs de Oostzee waar campers met bejaarden hun laatste dagen tellen op houten telramen die ze voor hun polycarbonaat-plexiglazen ramen zetten. Die bejaarden zie je verder niet, ze zitten binnen en doen bejaardendingen. Rummicubben, patiencen, elkaar kapot irriteren, wachten op wie het eerste doodgaat, weet ik het. Ze ruiken naar gekookte aardappelen, een geur die in een vaste straal van honderd meter om hun camper heen hangt. Daar kunnen ze overigens niets aan doen, laat dat voorop staan. Neem die geur in gedachten, vermeng het met de zoutvissige lucht van die smoezelige zandstrook langs de Oostzee en je hebt iets dat in de buurt komt van wat ik bedoel. Van hoe de moezelmannen roken.

Ze belden aan en ik deed open. Stom natuurlijk, maar het is gebeurd. Ze kwamen een voor een binnen, veegden hun voeten in hetzelfde ritme, lieten ongezien DNA achter en deden het zodoende voorkomen alsof het nette moezelmannen waren. Wat achteraf gezien belachelijk was, maar ja. Ze liepen niet eens de kamer binnen of gingen netjes in de gang staan wachten, zoals normale mensen doen als ze ergens voor het eerst op visite komen, maar stampten gelijk de trap op naar boven. Naar de badkamer. Deden daar al hun kleren uit, gooiden ze woest van zich af en riepen dat ik hun van dode mosselenlucht doortrokken boeltje moest wassen. Incluis moezelsokken. En snel een beetje. Tijdens het uittrekken van hun kleren vielen er tientallen mosselen op de grond. Ze leken uit alle zakken, naden en zomen te komen. Het gaf een tikkend geluid. Licht en helder. Ik wist niet wat te doen. Mijn hele badkamer was gevuld met mannen en mosselen. Die laatsten lagen overal, als venijnige visjes. Sommigen nog dicht, maar de meesten wijdopen, schijnbaar naar adem happend. De mosselmannen hadden gehavende lijven. Alsof ze elke nacht naakt tussen de mossels sliepen. Eentje vroeg of ik zijn vrouw wilde worden, maar de rest lachte hem uit. Ik was toch onvoldoende toegerust voor zo’n bestaan, dat zag hij toch verdomme zelf ook wel. Keek hij wel goed uit zijn doppen, miljaar! Want als hij dat gedaan had, zou hij gezien hebben dat mijn handen veel te poezelig waren. Een zak losse botjes, riepen ze. Totaal ongeschikt voor het breken van harde scherpe schalen, de wil van de mossel. ‘Kun je noten kraken?’ schreeuwde er een balorig. Ik schudde mijn hoofd, nee, in noten kraken was ik nooit bijzonder goed. Hazelnoten ging nog wel, maar paranoten bijvoorbeeld gaven veel problemen.

De mosselmannen hadden grote voeten. Waarschijnlijk om stevig mee op de bodem van de zee te staan, of om de branding mee te trotseren, het zuigen der muien, het golfrazen. Ik vroeg of ze ook mossels op de Oostzee vingen maar ze lachten me uit. De Oostzee, daar wilden ze nog niet dood gevonden worden. Eentje ging omstandig uitleggen hoe de camperbejaarden daar roken maar ik wimpelde hem af. Oud nieuws. Het zag er ondertussen niet naar uit dat de moezelmannen hun vuile kleren weer gingen aantrekken dus gooide ik ze maar in de was, zette de klok op zestig graden en smeet er een halve fles Ocean Lavendel bij. Lavendel groeit natuurlijk helemaal niet in de ocean, maar in zo’n afgesloten kunststof flessenwereld kan alles. Ik was eens op een eindexamententoonstelling van de Rietveld academie. Een van de geslaagden had een kleine kamer ingericht met wel twintig koffiezetapparaten erin. De junizon vloog manisch tegen de ramen op en het was er niet te harden, zo heet. Dit kwam ook door de koffiezetapparaten, die continue aanstonden. Daar was op zichzelf natuurlijk niet zoveel kunstigs aan. Daar moest iets bij. Iets vreemds, liefst. Vies. Zodoende had de kunstenaar in plaats van water, urine in de koffiezetapparatenreservoirs gedaan. De urine circuleerde daar dag en nacht doorheen. In combinatie met de hitte gaf dat een stank die dodelijk hard in je gezicht klapte wanneer je de ruimte binnenkwam. Van Lavendel Ocean had de kunstenaar overduidelijk nooit gehoord.

Een beetje was duurt minstens anderhalf uur. Wat moest ik met de mannen aanvangen in al die tijd? Ik had ze nog niet geteld, maar het waren er veel, en ik wilde ze niet met hun ongewassen mosselkonten beneden op mijn nieuwe bankstel hebben. De was draaide en zoemde gezellig. Het viel me op hoe snel je went aan stinkende naakte mosselmannen in je badkamer. Ik was ook helemaal niet bang dat ze ongepaste dingen met me wilden doen. Zo keken ze niet uit hun ogen. Daarbij bungelden hun mosselgeslachten vrij slap onder hun buik, daar stak weinig gevaar in. Ik ben ook zelden bang voor mannen, dat scheelt misschien. Ik kan behoorlijk stoere verhalen vertellen over mannen en heikele situaties, met mijzelf in een glansrol. Over die keer dat ik beschoten werd in een kraakpand, bijvoorbeeld, de kogel vlak langs mijn oor fluitte en ik doodkalm bleef zitten. Of dat ik in een trein vol dolgedraaide voetbalsupporters belandde die zwaaiend met losgetrokken treinmeubilair boven hun hoofd op me afstormden, en dat ik rustig bleef zitten, een jointje draaide, vroeg of ze een hijsje wilden. Waarna ze lamgeslagen van verbazing om me heen gingen zitten, zoet luisterend naar verhalen die ik ter plekke verzon. Mannen zijn over het algemeen sukkels. Goedaardige sukkels, maar sukkels. Makkelijk om de tuin te leiden ook. Misschien gaan ze daarom altijd vreemd bij mij. Omdat ik mijzelf uiteindelijk toch net even iets slimmer, leuker en stoerder vind. Waarschijnlijk straal ik dat uit. En dat is voor mannen ook niet leuk natuurlijk. Met meneer K heb ik dat overigens allemaal niet. Dat vind ik zelf ook raar. Misschien komt het omdat ik, elke keer als ik denk te weten hoe hij in elkaar zit, mezelf weer terug bij Start vind.

Meneer K zegt altijd tegen mij, dat als ik ooit alleen kom te staan, en een man wil, ik er eentje moet zoeken met een akker. In zijn optiek is een man met een akker een goede man. Voor mij althans. Een man die iets maakt met zijn handen. Dus geen muzikant of schrijver. Dat zijn over het algemeen labiele aanstellers die immer op zoek zijn naar publiek en groupies. Bevestiging. Zoals ikzelf. Nee, een meubelmaker of zoiets. Een ambachtelijke kunstenaar. Zo eentje die met zijn voeten stevig op zijn zandgrond staat. De eenzaamheid ervan kent en daar niet bang voor is. Zodat ik ondertussen lekker op mijn eigen akker kan rondknooien, zonder angst te hoeven hebben dat hij, als ik even niet oplet, er gelijk met een ander vandoor gaat. Akkermannen zijn de meest betrouwbare mannen. En niet al te gecompliceerd. Zo zetten ze rustig een strooien  vogelverschrikker in hun veld om de vogels af te schrikken. Hangen er zilverpapiertjes in. Terwijl dat dus nooit helpt. Nooit.


De mosselmannen wachtten netjes in de badkamer tot de was klaar en droog was. Legden ondertussen een kaartje, repareerden mijn lekkende kraan en trokken een pruik uit een zwanenhals. Hun natte mossellijven droogden op en daardoor veranderde ook hun geur. Of ik begon eraan te wennen, dat kan ook. Het rook in ieder geval best plezierig. Daarna kleedden ze zich weer aan en vertrokken. Een minuut later hoorde ik nog flarden van mosselliederen boven de straten zwemen. De lege mosselen hadden ze achtergelaten. Her en der lagen ze verspreid. Op de trap, de overloop, in de douchecel. Soms vind ik er nog wel eens eentje als ik gehaast de trap op ren. Ze steken gemeen in mijn voeten. 

maandag 30 mei 2016

The sleep of reason


Ondertussen in de Gruyterfabriek in Den Bosch, nog tot 11 juni te zien: 


The sleep of reason, een tentoonstelling met werk van Barend van Hoek, Maarten de Man, Tobias Schalken en Kees van der Knaap. Op zaterdag 4 juni, tijdens het Kunst en Designweekend is de (ietwat verlate) opening, met een borrel, e.d. Uiteraard is u allen welkom.




vrijdag 20 mei 2016

Wat een tuin ziet als hij slaapt

Vorige week vond ik een oude foto van mezelf terug. Een jaar of twintig ben ik daar, en vloog van het ene avontuur in het andere. Inmiddels, achtentwintig jaar verder, zijn de dagen alweer zolang rustig. Zelfs de tuin houdt zich in. Misschien slaapt hij, zonder dat ik er van weet. Is de brom, die ik 's nachts hoor, zijn snurken. De wind, die in mijn slaap onder mijn nek door raast, zijn adem. Vol herinneringen van wolkenjachtkraaien, afnemende zon-en-maanuren, blokken naar beneden stortend vliegtuigijs. Gewoon, dingen die tuinen zien. 

Ooit trilde mijn bed een week lang elke nacht. Ik zocht op Google of anderen in mijn buurt dit ook hadden. Zocht op bodemwerkzaamheden, zonder resultaat. Kort daarna overleed mijn vader en knalden er een straat verderop gasleidingen onder de grond. Tegenwoordig trilt mijn bed nooit meer.

Ik zou graag kamperfoelie in mijn tuin willen. Kamperfoeliebloemen hebben, als je ze op hun kop houdt, iets weg van kwallen. Ze woekeren wel erg, dat is een probleem. Eigenlijk ben je je halve leven bezig met het bijhouden van dingen die woekeren. Misschien zelfs driekwart. Snoeien, knippen, zagen, elimineren, wegduwen, harsen, uitkiezen, epileren, het verloopt allemaal volgens eenzelfde principe. Eerst is er niets. Dan is er veel. Waarna het minder moet. Alles moet altijd minder. Minder aandacht (anders word je verwend), minder succes (anders word je blasé), minder genot (anders word je leeghoofdig en blind), minder okselhaar (okselhaar is vies) minder vluchtelingen (anders wordt het te vol). Natuurlijk zijn er ook bergen mensen die juist van alles meer willen, maar daar heb ik het nu niet over.

Grote groepen mensen roepen om minder vluchtelingen. Over minder oorlog hoor je ze nooit. Oorzaken zijn misschien minder populair dan gevolgen. Ik weet ook niet waarom. Waarschijnlijk vergen ze meer aandacht, en aandacht is tijd, tijd is geld, en geld is papier met een man of een gebouw erop. Het gekke is dat geld heel lekker ruikt, terwijl het vol coke, poepdeeltjes en andersoortige ellende zit.

Toen ik nog het meisje in de foto was gebruikte ik nogal eens coke. Geweldig vond ik dat. Dat je kop op commando open knalde, je de hele godverdomde wereld in het kommetje van je handen voelde vibreren, en dat je wist, als ik iets naar links buig, naar rechts, buigt de hele wereld mee. Die euforie duurde niet lang, hoor. Ik verveel me altijd snel met dingen, hoe geweldig ze in het begin ook lijken. Op een gegeven moment valt alles ten prooi aan een systeem. Dat is het punt waarop het saai wordt. En dan bedoel ik geen saaiheid zoals stiltesaai. Stilte is namelijk helemaal niet saai. Dat is retespannend. In stilte kan alles gebeuren. De vraag is wanneer, en hoe dient het zich aan. En dan zit jij daar, in een hoekje te wachten tot het gaat knetteren. De adrenaline die door je keel giert. Man!

Het is fijn om naar kwallen te kijken. Rustgevend. Die dansende rokken, zwierige tentakels. Sommigen geven licht. Bij oostenwind liggen de stranden vol met groene lichtgevende bollen. Machtig is dat. Mijn vader nam me vroeger als kind midden in de nacht nogal eens mee de duinen in, van Ameland. Daar liepen wilde paarden, met lichtgevende ogen die opgloeiden in het donker. Dat was eng, maar nooit eng genoeg. Banger was ik voor de spoken in mijn vaders hoofd, die soms zomaar door zijn mond naar buiten schoten. Dan moest je echt rennen. Gewetenloze, sadistische gekken waren dat. Gelukkig kent alles een systeem. Nou ja, de meeste dingen. Gekte in ieder geval wel. Er zijn voortekenen, triggers, er is een laaien en er is een luwen. Het is zaak goed op te letten. Daar ben ik nog steeds een meester in, in opletten. Niets ontgaat mij.

Sleep of reason
(Kees van der Knaap)
Als het opletten erger wordt, gaat de tuin harder brommen. Ook daar zit een systeem in. Het is iets met het kip en het ei. Ik weet nog niet wie eerder was. Ik of de tuin. Het opletten of het brommen. Je moet ook oppassen met opletten. Het houdt je wakker. En slapeloosheid ontregelt de hele biochemie. Als het te erg wordt bel ik meneer K voor het slapengaan. Die woont dan wel honderd kilometer verderop, maar dat zegt niks. Meneer K zit nachtenlang te tekenen, in zijn kamer, aan zijn tafel, onder zijn ufolamp. Dan zegt hij dat ik rustig kan gaan slapen terwijl hij de monsters onder zijn hoede neemt. Meestal nodigt hij ze gewoon uit in zijn kamer. Geeft ze allemaal een eigen stoel. Sommigen mogen model staan in een van zijn tekeningen. Monsters zijn in hun hart als de dood voor meneer K, dus dat werkt altijd. Ik denk dat dit komt omdat hij ook vriendelijk voor ze is. Niet alleen afkeurend. Ze zijn er gewoon, lijkt hij te denken, dus kun je maar beter een soort van omgangsregeling vinden. Ik leer dat ook steeds beter, maar het gaat langzaam. Ondertussen ga ik gewoon door met opletten. Dat zit ingebouwd. Hier, vanachter mijn oogramen, houd ik de hele wereld in de gaten. Terwijl mijn tuin slaapt. Bromt. Trilt.



vrijdag 13 mei 2016

Oude gekken, rode lippenstift

Omdat ik over anderhalf uur een afspraak in Amsterdam heb, stap ik gehaast bij een winkelcentrum (in Apeldoorn) uit mijn auto en snelwandel naar de supermarkt. Naast mij stopt een auto. Ik registreer dit niet bewust. Hier is ook geen reden toe, het is een parkeerplaats. Daar parkeren auto’s. Stappen mensen uit. Vrouwen, mannen, kinderen, honden. Na een meter of twee hoor ik een man achter mij keihard ‘vuile trut’ roepen. Ik draai mij verbaasd om. De man die naast mij parkeerde is uitgestapt, kijkt mij recht aan, en herhaalt dat ik een trut ben. ‘Wát zegt u?’ roep ik verontwaardigd. ‘Ja, u hoorde mij wel,’ bitst de (overigens keurig uitziende) man van een jaar of zestig mij toe. Ik antwoord dat ik niet begrijp waarom hij mij trut noemt, en dat ik daar niet van gediend ben. Maar afijn, het is warm, ik heb nog steeds haast, en loop snel door naar de supermarkt. Bij het afrekenen merk ik dat mijn handen trillen. De caissière knikt me vriendelijk toe, maar kan niet goedmaken wat er net is gebeurd. Al die onverwachte agressie richting mij, op zo’n mooie morgen, ik vind het wat.

Op de terugweg kom ik de man weer tegen. Hij duwt moeizaam een kar richting de supermarkt. Er staat een leeg krat bier in. Ik loop naar hem toe en vraag zo stemvast mogelijk waarom hij mij een trut noemde. Hij probeert stoer te kijken, wat hem niet makkelijk afgaat, hij had duidelijk niet verwacht dat ik de confrontatie zou zoeken. Zijn inmiddels rood aangelopen hoofd wordt nog roder. Met een ballerig accent en brede gebaren legt hij omstandig uit waarom hij mij uitschold. Hij had namelijk gevraagd ‘of het ging’. ‘Of het ging?’ herhaal ik verbaasd. ‘Ja, het uitstappen.’ En ik had niet geluisterd. Sterker, ik was gewoon weggelopen. En hij wist ook waarom. ‘O ja,’ vraag ik geamuseerd, ‘en waarom dan wel?’ ‘Omdat u zo’n feministe bent, die niet met mannen wil praten. Met uw rode lippenstift.’ Hij wordt steeds bozer, je ziet dat hij zichzelf aan het opladen is. Zijn woede over vrouwen, ex-vrouwen, zijn moeder, rode lippenstift, hij moet het allemaal kwijt. Bij mij, om precies te zijn, de vijand zelf, die met felrode lippenstift in levende lijve voor hem staat. Stomverbaasd luister ik naar zijn verhaal. Mijn geduld is verdwenen en geagiteerd leg ik hem uit dat hij mensen zo niet kan behandelen, en dat ik er erg van geschrokken ben. Dat ik hem niet had gehoord, bij het uitstappen, omdat ik haast had, en in gedachten was. De man wuift dit schamper lachend weg, niks haast, niks geen gedachten. Ik wílde hem niet horen. Omdat ik een stomme feminist ben. Met mijn arrogante kop. Punt uit. ‘Vrouwen zoals u, willen niets van mannen weten,’ roept hij brallerig. Ik antwoordt dat áls dit al zo is, dat dit komt door mannen zoals hij. Met hun machtsvertoon, hun mannetjesgedrag. Ik merk dat mijn stem luider wordt en mijn benen trillen nu ook. ‘Zie je wel,’ roept het mannetje verheugd, ‘wat ik zei, een stomme feminist, dát bent u, zoals al die vrouwen tegenwoordig.’

Dan wordt het me teveel. Boos stamp ik het winkelcentrum uit, onderwijl roepende dat ie een ouwe gek is, met zijn lulpraat. Achter me hoor ik hem mopperen. Dat die vrouwen van nu geen fatsoen meer hebben. 

dinsdag 10 mei 2016

Aan alle Henken van Nederland

Midden in de nacht, nét als mijn ogen eindelijk willen dichtvallen, ploinkt mijn mobiel. Weer. Facebook Messenger. Ene Henk. Henk stuurt mij een foto waarop hij in een fabrieksachtige ruimte staat. Hij draagt slechts een lang wit plastic schort en een zonnebril. In zijn hand een gele opgerolde tuinslang. 'hey Johanna, heb je nog iets leuks meegemaakt' staat ernaast geschreven. Voor de duidelijkheid: ik ken geen Henk.
Verbijsterd staar ik naar mijn mobiel. Het schort, de zonnebril en de tuinslang zijn eigenlijk te groot voor Henk. Hij verzuipt erin. Daarnaast heeft hij behoorlijke flaporen. Ik vermoed dat die ervoor zorgen dat Henk niet omvalt. Iets met natuurlijk evenwicht.

Slapen lukt niet meer. Al die schriele wanhoop in slechts een schort. Het komt hard binnen. Terwijl ik toch best wat kan hebben. Ergens in mijn hoofd wordt een ophaalbrug omhoog getakeld. Ik wil dit niet zien. Ik wil niet dat mannen mij dit soort ellende sturen terwijl ik onschuldig in mijn fijne bedje lig, en denk aan de leuke moederdag die ik afgelopen weekend had. Of aan hoofdstuk 8 van mijn boek, waar ik morgenvroeg vers aan ga beginnen.Misschien denkt Henk een goddelijk lichaam te hebben. Ziet hij niet dat hij, met die witte spillepootjes onder dat plastieken schort, meer op een sneue versie van Walter White of op een kampbeul lijkt. Waarom doen mannen dit? Vrouwen sturen nooit zulke rare dingen, op een handjevol koekwausen na. Denken die Henken nou echt dat ik midden in de nacht aan een blote man in een schort met een zonnebril op zijn hoofd en een tuinslang in zijn hand leuk ga vertellen wat ik allemaal heb gedaan de afgelopen week? Dus bij deze, voor alle Henken van Nederland: Tieft op! Houd op met ploinken! Ga je moeder midden in de nacht liggen ploinken! Je zus! Maar laat mij met rust!  


dinsdag 3 mei 2016

De bikiniman

Mijn dochter en ik zitten op een bankje voor het station te wachten op mijn zoon, die elk moment met de trein kan aankomen. Het zonnetje schijnt op onze koude lentehoofden, we babbelen wat, eten een broodje, en ik constateer tevreden dat als het leven mij af en toe van dit soort dagen toeschuift, ik het best te pruimen vind.
Dan mijn mobiel. FB Messenger. Ploink: Heb je je bikini al aan? Ploink: Mooi bikiniweer, vind je niet? Ploink: Wat ik zeg, bikiniweer. Ploink: Heb je hem al aan, ja, je bikini? Ploink: In de tuin? Ploink: Of heb je geen tuin. Ploink: Zit je met je bikini op je balkon? Ploink: Mooi toch. Ploink: Bikiniweer. Ik bekijk de afzender. Een oudere man met een woest wanhopige blik staart van onderen af geselfied in de camera. Ondertussen ploinkt hij lekker door. Over bikini’s. Nooit las ik het woord bikini zo vaak achter elkaar. Ik zie mijn vintage badpak met stippen voor me. Want ik heb niet eens een bikini. En na twee bevallingen, buikoperaties en een fiks myoom in mijn buik die over drie weken door dr Braat -geen grapje- in het UMC wordt weggebrand, gaat die er ook niet komen. Ploink: Is ie rood? Je bikini? Ploink: Of zwart. Ook mooi. Lekker weer hè? Ploink: Toch? Niet dan?

‘Je kunt mensen ook blokkeren hè,’ zegt de dochter. Ja, maar hoe. Thuis op de laptop lukt dat wel, maar hier met mijn mobiel in de zon snap ik er geen hout van. Ploink: Ben je al bruin? Ploink: In je bikini? Ik krijg moordneigingen. Alle wanhopige mannen met selfies van onderen af gemaakt moeten dood. Dan weer een ploink. Ik moet wat terugzeggen. Iets gemeens. Dat de wanhopige man nog wanhopiger wordt en hard huilend de FB berichtenbox verlaat. Met zijn kutbikini’s. Ik besluit de chat alvast te openen, dan komen de woorden vanzelf wel. Tegelijkertijd zie ik het vrolijke hoofd van mijn zoon oppoppen. Hij heeft een omgekeerde doos op zijn hoofd. ‘Ik ben er bijna,’ schrijft hij. 

De dochter naast me vraagt of ik een shaggie wil draaien. En of ik van de zomer een paar dagen mee wil naar Berlijn. Ik antwoord dat mij dit geweldig lijkt. In de auto vertelt zoon de overeenkomsten tussen Kierkegaard en The Matrix. En dat als je Kierkegaard goed leest, het helemaal niet zo deprimerend is. Misschien geldt dat ook voor de bikiniman. Is hij in werkelijkheid helemaal geen wanhopige man met onderkinselfies. Speelt hij er één. Stuurt hij die bikinishit gewoon vanuit zijn luie stoel bij een zwembad in Ventimiglia, terwijl zijn vrouw met een knijper op haar neus baantjes trekt. De bikiniman zwijgt. Misschien heeft zijn vrouw haar knijper eraf gezwommen, loopt al het water haar longen binnen en moet hij haar reanimeren. Heeft hij hulp nodig. Bikiniman, tik ik, bikiniman, heb je hulp nodig? Maar het blijft stil.