zaterdag 17 september 2016

Het hoofd dat op een tuinslang danste

En terwijl on-Hollandse weermodellen manisch over de eerste septemberdagen vlogen was het hier weer spannend. Iemand in een ziekenhuis ver weg had na mijn zoveelste MRI dit jaar bedacht dat het myoom in mijn baarmoeder, dat maar groeit en groeit en groeit, tóch best kwaadaardig kon zijn. Nadat het eerder goedaardig was verklaard, maar ja, dat was meer dan een half jaar geleden, en in korte tijd, blablabla.

Het gezwel leek volgens een van mijn artsen op een hoofd en drukte op mijn bloedvaten. 'Stel je een tuinslang voor,' zei ze, 'zet de kraan wijdopen en ga erop staan. Dat gebeurt er in je buik als je staat of loopt.' Ik knikte, zo ging het precies. Al twee en een half jaar. Dus stond of liep ik niet veel meer. Het bloed stroomde al zo lang zo ijzerloos en traag door mijn aderen dat ik de tijd een beetje vergat, hier achter mijn raam. De wereld.

Soms verlangde ik naar een inwisselbaar uitzicht en heb zelfs overwogen er eentje uit te vinden, voor mensen die ook een gezwel in hun buik hadden met een bloedende tuinslang eronder, maar het hele plan bleef steken bij het prototype. Op de een of andere manier beviel die me zo erg dat de noodzaak van de verwisselbaarheid een beetje verviel.

Oncologen, radiologen, gynaecologen, allemaal lieve mensen en ik kende ze allemaal bij naam. Mijn telefoon ging 33 keer per dag. Zo sociaal was ik nooit. Als ik ’s nachts in bed alle gesprekken reproduceerde leek het alsof ze allemaal achterstevoren en in stukjes waren opgenomen. Zoals ik ooit in een gedicht schreef: ‘De duivel komt altijd in fragmenten’. Ik hoorde telkens mijn telefoon gaan. Ook als die niet ging. Of explosies in mijn hoofd, compleet met drukgolven, een oude handicap die besloten had terug te keren. Exploding Head Syndrome heet dat. Ik verzin het niet. Google maar op. Toen ik dat tegen een van de artsen zei stuurde deze een drugskoerier eropuit. Zodoende zag ik gistermiddag een vreemde meneer voor mijn deur staan met een petje op. Hij belde niet aan, keek eerst naar links, naar rechts en schoof daarna heel discreet een zak met een gele sticker erop door mijn voordeur. Heerlijk geslapen. Ik kan niet anders zeggen. Geen fragmenten, geen explosies. De wereld een lange uitgerekte lijn.

Het hoofd heeft inmiddels een diameter van 16,5 centimeter en groeit een centimeter per maand. Ik zie telkens een monstrueus geheel voor me, met afschrikwekkende ogen, monden en oren, maar iemand zei tegen mij dat dit een keuze was. Want ik kon natuurlijk ook gewoon denken dat het een heel mooi en lief hoofd was dat daar binnenin mij groeide. Een poppenhoofd.

Een week geleden kreeg ik het verlossende telefoontje. Het hoofd was waarschijnlijk toch goedaardig. Voor de zoveelste keer. Het zag er in ieder geval goed uit. Geen uitzaaiingsverschijnselen en al die enge shit. ‘U heeft een zeer schoon bekken’ zei de arts. Dat vond en vind ik zo mooi klinken. Soms spreek ik dat hardop uit en voel me helemaal zacht en fijn worden. ‘Toch,’ ging ze verder, ‘kunnen we pas helemaal zeker zijn na weefselonderzoek.’

Dus word ik aanstaande maandag geopereerd. Dan halen ze alles weg. Het hoofd en zijn buikhuis. Een hysterectomie heet dat. Ik weet nog niet wat ik daar van vind. Het klinkt nogal hysterisch. Ik weet alleen dat het moet. Ik ben een klein beetje bang, want zo’n ingreep is (in mijn specifieke geval) best risicovol, maar ondertussen ook opgelucht. Ik weet niet, ik heb aan één hoofd genoeg, denk ik. En ik word door een heel artsenelftal geopereerd, met interventieradiologen, gynaecologen, oncologen, allerlei allerhande assistenten, 33 zakken extra bloed en de aardige meneer van de ziekenhuispostkamer drukte mij op het hart dat hij tijdens de ingreep ook even een hoofd om de OK-deur zou steken. Dus dat komt allemaal goed. Het elftal heeft er in ieder geval het volste vertrouwen in.

Men verwacht dat over een half jaar mijn oude leven weer een aanvang zal nemen. Fietsen, wandelen, dansen op rare muziek zonder tuinslang en hoofd in een verder uitgestorven huiskamer om zeven uur ’s morgens, strakke jurkjes, heel veel strakke jurkjes met hoge hakken eronder. Op dat laatste verheug ik mij dus zeer. Jurkjes en hakken. Of gewoon, lekker ouderwets veel bloed hebben, met ijzer erin. Trappen op en af lopen zonder exploderende harten en hoofden.

Of ik verpleging nodig had, vroegen ze in het ziekenhuis, omdat ik alleen woon. Maar ik antwoordde dat meneer K mijn verpleger werd de komende weken. Meneer K is de beste verpleger die ik mij kan wensen. Als ik ziek of anderszins zielig ben borstelt hij minutenlang mijn haar in rustige lange slagen. Masseert mijn slapen of maakt grappen waar ik zo hard om moet lachen dat alle opgehoopte angstklonters uit mijn oren naar buiten schieten. Geregeld vind ik er eentje achter de boekenkast, in de mand van de kat.

Hij kan trouwens ook erg goed uitzichten tekenen. Al zal ik die straks niet meer nodig hebben.

Tekening Kees van der Knaap