donderdag 9 maart 2017

Doe de detox! (not)

Op het moment doe ik een ontgiftingskuur. Zelf was ik daar niet op gekomen, maar het leek mijn (antroposofische) huisarts een goed idee omdat ik nog steeds kamp met de nodige postoperatieve rest-ellende. Nu, na een kleine week kan ik zeggen dat het redelijk succesvol is. Ik voel me iets sterker, strakker en helderder. Eén ding echter verontrust mij. 

Iedereen die mijn werk kent weet dat ik de neiging heb om redelijk 'raar' te schrijven. Dat dekt de lading natuurlijk niet, maar ik weet het even niet anders te zeggen. Aan de andere kant, aangezien ik reeds vanaf mijn 14e jaar officieel kneitergek werd verklaard én om die reden subiet uit de leerplicht ontheven gedraag ik mij (en schrijf ik) geheel volgens de verwachting. Normaal dus. Begrijpt u het nog? Vrees niet, de kern is nakende.

Mijn hele leven droom ik al conform mijn anamnese. Paarsrode woestijnkatten die ondersteboven aan haken hangen en waar lang uitgerekte ballonwerelden soepel onder hun staarten vandaan rollen die net voor ze de grond raken veranderen in fluorescerende grondbloemen die pijlsnel wegschieten en in bermen van slaapsteden nieuwe werelden doen ontkiemen, waar paarsrode woestijnkatten uit groeien die ondersteboven… Afijn, u vangt mijn drift. Dat gedroom van mij is een van de bronnen waar ik tijdens mijn schrijven uit put. Een dankbare en makkelijke bron. Hij is er immers altijd. Elke nacht vang ik mijn dromen op in grote emmers en zet die naast mijn bed.

Tot de ontgiftingskuur. De eerste nachten ging het nog wel, maar na enkele dagen het beregezonde chlorella en spirulina in grote hoeveelheden weggestouwd te hebben waarna ik enthousiast alle kleuren van de regenboog uitplaste trof ik mijzelf vanochtend vroeg bij het wakker worden in complete verwarring aan. De emmer naast mijn bed was nagenoeg leeg. Slechts een paar letters wriemelden als visjes over de bodem. Dit is wat er stond:

1.     1. Ik ga op bezoek bij F. Als ik bij zijn huis aankom is de deur open. Ik loop naar binnen. F is nergens te bekennen. Al zijn meubels zijn weg. Er zijn anderen voor in de plaats gekomen. Er komt een jongen de trap afgelopen. ‘Hallo,’ roept hij opgewekt, ‘ik ben Bart.’

2.     2. Ik krijg mail. Beste mevrouw Geels, staat er. Op aanraden van mijn vriend Ton las ik uw gedicht over het verzorgen van een chagrijnige gehandicapte jongen. Dit leek Ton leuk voor mij omdat ik zelf al jaren voor een chagrijnige gehandicapte jongen zorg en dus affiniteit heb met het onderwerp. Ik heb uw gedicht gelezen. Ik vond er niets aan.


Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen